Blog
Op de hoogte blijven van mijn blogs? Abonneer je op mijn nieuwsbrief.-
Zoekt en gij zult vinden! Wie weet waar de handen wassende mijnheer is????
16 augustus 2020Een zaterdag. Ik loop door Delft. Ik ben op zoek naar de schilder Johannes Vermeer en daarvoor bezoek ik het Vermeer Centrum Delft. Maar eerst wandel ik door de mooie straten van het centrum naar de Vlamingstraat 40, want een kunstgeleerde slash archeoloog beweert dat hier het steegje van het schilderij het straatje was. Ik zie inderdaad een steegje, maar of dit het steegje van het schilderij is, durf ik niet te zeggen.
In het nieuwe huis rechts naast de steeg tuurt een vers geboren poesje naar mij. Ze springt op de bank en begint die te slopen. Achter mij stopt een toeristische taxi. De chauffeur zwaait met zijn arm naar links en roept in 16 verschillende talen dat hier het huis van het straatje stond. Er is dan wel nog een bezwaar: de gevel op het huis van het straatje hoort niet in Delft, maar in Dordrecht. Zodat je bijna zeker naar een tafereel uit Dordt kijkt, in plaats van Delft. Maar is het erg? Nee hoor. Dat maakt helemaal niets uit.
In het Vermeer Centrum Delft hangen de 37 bekende werken van Johannes Vermeer in reproductie naast elkaar. Mooi, maar is het veel? Nee, op een heel leven schilderen is het bijna niks. Er zijn van de man geen tekeningen en geen etsen en geen zelfportretten. Hij had 11 kinderen, dat zal het probleem zijn geweest. Gewoon geen tijd. Kijk, hij experimenteerde met licht, met daglicht, dus hij kon ook niet bij nacht met een kaars aan de gang.
En dan is er nog een lijst met schilderijen van een veiling uit 1696. Daarop staan een aantal te veilen werken met bekende titels. Maar van één titel is het beeld onbekend. Daer een signeur syn handen wast (een mijnheer wast zijn handen).
Ok, er is een verdwenen schilderij. Natuurlijk is het in een van de vele volgende oorlogen en rampen verpletterd en verbrand of door een ijverige timmerman verwerkt in een tuintafeltje, dat is mijn eerste gedachte. Maar mijn tweede gedachte is: het ding zwerft nog ergens. In Nederland misschien wel. Heel dichtbij. Ik krijg goudkoorts bij de gedachte. Deze Vermeer kan op uw zolder liggen, in uw garage, bij een Goedzooi, onder uw bank, misschien wel in uw keukenkastje als dienblad.
Overigens wel toevallig dat ik begin over een handen wassende mijnheer in coronatijd. Maar heeft u dit portret weleens gezien? Bedenk dan dat het meisje met de parel aan het eind van de 19e eeuw, werd teruggevonden, in gehavende toestand. Het werd gekocht voor twee gulden dertig. Het is best mogelijk. Dus zoek, zoek, zoek. En wie weet bent u de gelukkige vinder.
Toen ik bijna thuis was kwam ik op het station een jongedame tegen met een mandje waarin een kitten me aanstaarde. ‘Piep!’ zei het beestje. Alweer, een poesje.
Gelukkig thuis, even plassen en dan handen wassen.
Lees meer >> | 17 keer bekeken
-
Twee meisjes
30 juli 2020Twee meisjes van 12 jaar kopen een ijsje met een kauwgombal erin. Echter, het ene meisje heeft wel een bal en het andere meisje niet. Het meisje zonder bal loopt terug naar haar moeder en zegt: ‘Ik ga terug.’
De moeder zegt: ‘Doe dat niet!’
Waarop het meisje zegt: ‘Jij koopt toch ook geen bloemen zonder knoppen!’
Lees meer >> | 32 keer bekeken
-
Stofzuigerfeestje
28 juli 2020Ongeveer dertig jaar geleden werd ik door een kennis uitgenodigd op een studentenfeestje. De kennis studeerde niet, maar zijn vriendin wel, iets met geneeskunde. Ze leek me aardig, een beetje tuttig en erg serieus. Ze pasten niet bij elkaar, vond ik. Haar vader had wat centjes en kocht een heel huis voor zijn prinses.
Het feest vond plaats in dit huis, ergens in Amsterdam-Oost. Direct, na binnenkomst, viel me op dat het ballonnenblazen volledig uit de hand was gelopen. De sfeervol ingerichte woning leek op een ballenbak, maar dan met ballonnen. Je moest er doorheen waden als door een rivier. Een rivier met gele, rode, blauwe, groene en gele bollen.
Net toen ik binnenkwam, zei een van de gasten tegen me: ‘Ik zag het meteen toen je binnenkwam.’ Nog steeds een van de meest mysterieuze ontvangstuitspraken die ik noteerde. Ik wilde nog wel een vraag stellen, maar de dame was al weer weg gezwommen, of verdronken, in de ballonnenzee.
Het feest vorderde in het bekende oeverloze geklets en daarbij vloeide de drank ook voorspoedig.
In de keuken werd een limbodans uitgevoerd, dat is een dans waarbij de dansers onder een stok doorgaan met hun borst, maar hierbij werd een echt open vuur gebruikt alsof we op een tropisch eilandstrand waren. De ene limbodanser, ik denk
een student, klom op een tafel en wierp alle kleding van zich af. Het enige wat hij nog aanhad was een rood, kanten damesslipje. Dat hield me nog een tijdje bezig. Was hij wezen snuffelen in de kledingkast van de gastvrouw of had hij voor de gelegenheid van deze avond een bijpassende onderbroek uitgezocht? Ik ben bang dat het van een van de meisjes was.
Het feestje ging vrolijk verder. Ik nam een glaasje sap, want ik ben ergens nog altijd bang dronken te worden. Dit naar aanleiding van een traumatische ervaring uit mijn jeugd (hierover een andere keer).
Een andere, lange, dunne student met een hippe bril, rende langs en riep in het voorbijgaan dat hij de stofzuiger uit het raam ging werpen. ‘Ontzettende zin an!’ riep hij. Even dacht ik nog dat een grap moest zijn tot ik een moment later een enorme klap hoorde en de stofzuiger op de stenen zag liggen, in diggelen.
Enigszins verward door alle onzin verliet ik het fuifje en kwam terug op station Amsterdam Centraal. Ik zag de rode sluitseinen van de laatste trein wegrijden.
‘Was dat de laatste trein?’ vroeg een man met een hangsnor. Hij droeg een beige regenjas en om zijn neus hing de geur van een eenzame avond in de donkerste kneipen van onze hoofdstad. Ik schatte hem een jaar of veertig en hij werd thuis niet meer verwacht, hooguit door een kat.
Ik knikte meewarig.
‘Dat schiet niet op,’ zei hij.
‘Nee,’ zei ik.
‘Rijden er nog bussen?’
‘Nee,’ ik fluisterde bijna.
‘Dat schiet niet op.’
Hij tastte in zijn broekzak en keek in zijn portemonnee. Er zat overduidelijk niks meer in.
‘Kijken of ik nog geld heb voor een taxi.’
Hij rommelde in zijn broekzakken. Ik keek de andere kant uit.
Een paar studenten zakten onderuit op de perronbankjes.
‘Niks,’ zei de man. ‘Dat schiet niet op.’
Hij liep weg in de richting van de roltrappen. Ik zag hem
verdwijnen in de najaarsnacht.
Lees meer >> | 38 keer bekeken
-
Na jaren kwam hij eindelijk uit het keukenkastje onder de gootsteen
19 juli 2020Leonardo, mijn kapper, vertelde me dit verhaal: de buurman van miijn vriend van zijn neef had een oom die al wat werkelijk schoon was en rook naar lentegroen van 18 jaar wilde bezitten. Gelukkig bezat hij een stralende glimlach met donkere, niet te ontlopen ogen die vrouwen smeekten hem te mogen frequenteren. Daarom was het redelijk druk in zijn slaapkamer. Deze man, die innemend en tegelijk ook berekend en meedogenloos was, luisterde naar de naam Birgil. Hij had een vrouw die Patricia heette en zoveel kocht en shopte dat zij geen tijd had zijn ontrouwe gangen na te gaan. Echter, deze man bleek een getalenteerd songwriter. Zo getalenteerd dat zijn werk goed werd verkocht en hij steeds rijker en brutaler werd. Hij kocht huizen waarin de minnaressen mochten verblijven en hij stelde als voorwaarde dat ze geen vreemde mannen mochten binnen laten. Maar een der vrouwen duwde een dominosteentje om. Zij voelde zich opgesloten in haar weelderige leenhuis. Zij zag haar lief slechts driemaal per jaar. En wanneer ging hij nu eindelijk eens scheiden van Patricia? Ze besloot wraak te nemen. Ze vond in een van zijn achtergebleven jasjes een telefoon met nummers en ook die van zijn enige echte echtgenote stond erin. Zij belde met deze vrouw en vertelde alles. Alle boosheid kwam eruit. Ze ontplofte. Patricia was nu ook ontbrand. Op een groot bord in de keuken wist zij alle huizen met dames in beeld te brengen. Het waren er maar liefst acht: Yvonne in Cannes, Lio in Reims, Katja in Paris, Sandra in Bordeaux, Yvet in Rennes, Catharine in Marseille, Roger in Milaan, en Hélène in Saint-Tropez.
Op een dag kwam de gevierde zanger thuis. Hij had een geur van whisky en roem om zijn schouders. Zij droeg een doorschijnend nachtkleed en had haar lippen roodgestift. Met een zwoele parfum lokte ze hem in haar boudoir. Maar achter haar rug had zij een bijl waarmee zij het hout voor de haard hakte. ‘Kom maar lief mannetje van me,’ kirde ze in haar glansrol. Hij ontkleedde zich schaapachtig, maar gretig en kreeg wilde visioenen, toen zij zich plotseling omdraaide en de bijl liet vallen.
Lang zocht de politie naar het afgehakte element, maar slaagde niet. De verdachte wenste nimmer te spreken waar zij het dingetje had gelaten. De jaren gingen voorbij. De zanger werd vergeten en de vrouw kwam na jaren vrij.
Het huis van Patricia en haar ongelukkige artiest werd inmiddels bewoond door een ouder, ziekelijk echtpaar. De waterleiding was gesprongen en een loodgieter moest met zijn hoofd in het keukenkastje onder de gootsteen. Hij riep plotseling: ‘Wat is dit nou?’ Hij toonde de oude man een grijzig, versteend voorwerp van een centimeter of vijf, dat verdacht veel op een piemel leek. De vakman blies het stof eraf. ‘Die van mij is gelukkig groter, nou, wilt u hebben voor uw verzameling of doe ik hem bij het afval?’
Uit: 333 dingen om te schrijven
Lees meer >> | 29 keer bekeken
-
Url naar mijn schrijfwebsite
24 oktober 2019De URL naar mijn blogpagina is:
https://sjoerdberk.blogspot.com
Lees meer >> | 54 keer bekeken
-
Beschrijf een dag uit het leven van je duim
23 oktober 2019Ik, de duim, ben vandaag er helemaal afgezaagd.
Ik, de duim, ben de duim van een doe-het-zelver.
Een aardige man die zelf zijn eigen hout wil zagen, maar niet geschikt is voor het werk.
Niemand die dat tegen hem durft te zeggen.
Dat hij zijn timmermanschap uit zijn duim heeft gezogen.
Plotseling was ik van hem gescheiden. Hij was ontduimd.
Hij legde mij in een bakje met ijs.
Samen gingen wij in een ambulance waarop een blauw licht zwaaide.
De doe- het- zelver gilde en gilde.
Een dokter hielp ons in de operatiekamer.
Hup, hup, ging het met schaar en naald.
Ik was weer verbonden met de man.
Deze klusser zaagt alleen nog in zijn slaap.
Idee uit: 333 dingen om over te schrijven
Lees meer >> | 53 keer bekeken
-
In de ICE naar Keulen
14 oktober 2019In de ICE trein naar Duitsland
In de ICE trein naar Duitsland, Keulen. Vanaf Amsterdam CS proberen de reizigers hun vaak veels te grote rolkoffers in het bagagerek te werpen. Nadeel hiervan is dat de koffers te zwaar zijn en dat het pas lukt in samenwerking met een partner. Ik bied me aan als partner en smijt de handel in het rekje. Ik vraag me af of er geen clandestiene producten in zitten. Illegaal verkregen aapjes, verdovende middelen of allerlei schietgerei. Blijf gewoon geloven in het goede in de mens.
In deze trein zitten mensen uit alle windstreken en continenten. Van oost naar west en noord naar zuid. Een meisje met een windhond. De pootjes van het beestje liggen in het gangpad. Een van de passagiers gaat er per ongeluk op staan. Zijn lieve bruine ogen kijken ons meelijwekkend aan. Hij vind het echt niet leuk.
De ICE is dan wel een trein die heel hard kan, 250 km per uur, hier in Holland rijdt hij net zo hard als een NS intercity. De windhond raakt nu een beetje gestresst. Ze gaat met hem lopen. Een mijnheer uit China valt in slaap en begint hard te snurken. Op het rangeerterrein in Venlo staat een man tegen een trein te plassen. Ik heb zicht op de WC en het gezelschap in deze trein, plast als een trein door. Er is catering aan boord, hetgeen de urineproductie verhoogd.
Naast me leest een Duitse vrouw een boek over de Italiaanse maffia. Plotseling wil een mijnheer op de stoel van mijn Anja gaan zitten, maar het blijkt dat hij zich in het rijtuig heeft vergist. De reis duurt drie uur en nog wat. Maar je moet zo denken: met het vliegtuig was je er niet sneller geweest.
De Duitse vrouw naast me, heeft twee tieners bij haar. Ze vragen om de twee minuten om mama en dan moet ik weer opstaan. Ik vind het geen probleem en ook deze vrouw toont geen spoor van irritatie. Ze spreekt een onverstaanbaar soort Duits, waarin ik het woord ‘handy’ hoor. Dat is Duits voor GSM. Haar lieve meisje probeert een flesje cola te laten ontploffen, dus mama gaat erop af, om een kleine plakkerige ramp te voorkomen. Het meisje is een jaar of 6. Ze komt bij mijn stoel staan en kijkt me onderzoekend aan. Misschien vindt ze het onbegrijpelijk dat ereen vreemde man naast haar moeder zit. De tiener is lang en dunnig en kijkt de wereld in met de ‘alles is stom’ puberblik. Het boek van de vrouw ligt werkloos op haar stoel.
Thijs babbelt ondertussen vrolijk door over alles wat hij ziet onderweg, maar uiteindelijk glijdt het apparaat het station van Keulen binnen. Naast dit eindpunt staat de gigantische, overdonderend grote Dom. Een gebouw met massieve dikke uren en eindeloos hoge torens die als je omhoog kijkt bijna in de wolken lijken te prikken. Op de torens zijn waterspuwers gemetseld. Meestal afbeeldingen van draken of monsters. Tegen de muren zitten hier en daar zwervers en bedelaars. Tegenover hen staat een paal met een aantal camera’s. Een van de bedelaars knikt vriendelijk naar me. Hij heeft een grote vilten baard en een hond. Ik knik terug. Op de hoek van het plein staan onderdelen van een Romeinse poort. Ook interessant, een kerk en een poort, symbolen van pracht en praal en van macht en onderdrukking. Ook naast die poort zit een dakloze of een uitgeprocedeerde. Hij kijkt me loom aan.
We gaan de Dom binnen en bij de ingang staan twee mannen vrouwen te inspecteren of ze niet te bloot zijn. De kerk heeft het niet zo op naveltruitjes. Een mevrouw met een blote buik krijgt een zwarte doek aangereikt die ze om haar middel moet knopen. Eenmaal binnen valt op dat deze kerk tamelijk licht is door het enorme hoge venster met het glas-in-lood. Maar indrukwekkend is het wel. Schilderijen, relieken, in goud, blinken je tegemoet. Hoe moet dit geweest zijn voor de beeldenstormers rond 1570 de kerken bestormden en woedend het interieur sloopten? Ik vermoed dat er op elke zuil wel een meesterwerk hing. Op de een of andere manier is het gouden kistje met de beenderen van de drie wijzen uit het oosten bewaard gebleven. Op de kist staan de portretten van Balthazar en zijn vrinden.
We slenteren de kerk uit. Ik vind het knap van Thijs dat hij het geduld voor dit bezoek opbrengt. Buiten geef ik hem de camera. Hij maakt filmpjes als een echte vlogger en rent met het ding rond de vijver. We gaan achter de kudde van het massatoerisme aan. Die begeeft zich in de richting van het spoor over de rivier. De Rijn glimt in de middagzon. Het is een prachtig stuk van 400 meter over het water. Aan de brug hangt, aan de kant van het spoor, een berg liefdesslotjes. De geliefden die dit hier hebben opgehangen, hebben het sleuteltje in de rivier gesmeten. Maar daar heeft de Deutsche Bundesbahn geen moeite mee. Met hun stoere spoorwegmateriaal hebben ze die slotjes zo doorgezaagd. De DB is van staal en kiest voor veiligheid in plaats van romantiek. Ik vraag me wel af hoe een paartje denkt zijn slotje terug te vinden. Die slotjes zijn voor het plaatsen gegraveerd, dus het is voor zekere mensen een deel van de broodwinning. ‘Michael ich liebe dich, Vera,’ lees ik. Zouden Michael en Vera nog bij elkaar zijn?
We eten een broodje bij de fontein achter de kerk en wapperen met onze kruidnagelolie naar een wesp die er haastig vandoor gaat.
6-8-2019
Lees meer >> | 40 keer bekeken
-
Beschrijf een wachtkamer van de tandarts, vanuit het gezichtspunt van de wandklok.
10 februari 20198.00 ’s Ochtends. Sjaak, de tandarts, komt binnen. Doet zijn jas uit. Gaat koffie zetten. Hij drinkt, daarna doet hij zijn groene tandartspak aan. De assistente komt ook binnen. Ze is gebruind, op haar schouders zelfs rood. Ze vertelt een heel verhaal over haar vakantie in Griekenland en dat ze daar een leuke Oostenrijker is tegengekomen. Herbert Unterwasser heet hij. Hij is al wat ouder, maar dat maakt haar niet veel uit. Hij zoent goed. Sjaak knikt. Hij vertelt dat zijn zoon net geslaagd is voor zijn eindexamen van de middelbare school. Die zoon, die Wonder Joy heet, wil ook tandarts worden, maar hij ligt het liefste de hele dag op de bank te spelen met zijn gameboy. ‘Hoe vin je dat nou?’ vraagt hij. ‘De jeugd, ‘zucht zij. ‘Die van mij zitten de hele dag op hun kamer. Ik weet niet eens wat ze doen achter die deur.’ Ze start de computer, het apparaat gaat heel langzaam. Dan komt de eerste patiënt binnen. Een beverige oude heer met één stok en twee tanden. Sjaak herkent hem direct: zijn vroegere onderwijzer van de 6e klas, de heer Vankoudeenhetevuren. De man valt bijna om. ‘Alles goed met u?’roept hij in het linkeroor.’ Je hoeft niet zo te schreeuwen!’ roept de kerel. “Ik ben hier voor mijn tanden, niet voor een gehoortest. ‘Ik heb bij u in de klas gezeten,’ zegt Sjaak terwijl hij de laatste dentalen bekijkt en betimmert. ‘Jij was een dondersteen,’ roept de patiënt. ‘Wat jij allemaal uitvrat, ik wilde je het liefst opsluiten in de kelder. Jammer genoeg mocht dat niet.’ Sjaak legt het spiegeltje terug. ‘Ik was een hele brave jongen,’ protesteert hij. ‘Bent u niet in de war met mijn broer Henk, Henkie van de Broek.’ ‘Nee, nee!’ roept de man. ‘Jij was het en kijk maar eens wat er van je geworden is: tandarts. En je kon zo goed leren!’
Lees meer >> | 52 keer bekeken
-
Het kaasplankje of een gala in het Koninklijk Paleis
23 januari 2019Ik ontmoet een dame die mijn jas aanneemt en me verzoekt te blijven staan. Een andere dame controleert mijn kaartje. Weer een andere mevrouw loopt mee naar een tafeltje in een hoek van een enorme hal met marmeren vloertegels en metershoge zuilen. Op die zuilen liggen honderden bloemstukken, grote witte lelies, paarse bloemen, ik weet niet hoe ze allemaal heten. Ik ben uitgenodigd omdat ik meegeholpen heb mijnheer zijn studeerkamer te herbouwen, om het zomaar eens te zeggen. Mijnheer, dat is mijnheer Willem-Alexander. Yes, de koning. Vandaag ga ik, Ab Timman, de hand van de koning schudden. Er zitten nog meer jongens hier met hun Marietje. Maar dat zijn argitekten en zo. Ik ben de enige die echt heeft gebouwd. Om 20 uur nul nul gaat het gebeuren. Dan gaan we aan tafel. Aan het hoofd van de tafel zie ik al een Koninklijke stoel staan met WA erop. Daarop zal hij gaan zitten en aan de overkant natuurlijk de mooiste vrouw van het hof, koningin Máxima. Ik ben wel nerveus, moet eigenlijk nog even roken. Ik ben een diehard verslaafde, ik schaam me er niet voor dat te zeggen, ik heb alles al geprobeerd. Ik ga een deur door, nog een deur door, ik ken de weg hier. Daar is de keuken. Die heeft twee klapdeuren die naar buiten openslaan. Ik ga erdoor en pak mijn sigaretten. Het is vijf voor 8, zegt mijn Seiko kwarts. Tijd genoeg voor een shot. Ik sta op een soort bordes, met uitzicht op de warme stralen van de zon, over de groene bomen van dit prachtige park. Wat een feest hier te wonen. Vooral in deze mooie zomer. Ik inhaleer en hoor achter me een zoemend geluid. Draai me om en zie een rolluik naar beneden gaan. Ik trap de peuk uit en bemerk dat de deuren dicht zijn. Ik klop op het raam, daar moet toch iemand zijn. Of zou dit automatisch gaan? Ik geef een schreeuw, maar dat is hier kansloos. Mijn echo komt hard terug van de hoge wanden. De keuken is onder de slaapvertrekken en daar is niemand. Die zijn aan het werk of zitten aan de dis. Ik loop het bordes af, het gras op, naar links. Het bordes is aan de linkerkant afgeschermd met een metershoog hek. Op enige afstand daarachter, ik schat een meter of tien, zie ik een bewaker lopen, hij heeft een hond aan de lijn. Ik roep hem, maar hij hoort me niet. Potverdomme, het is al vijf over 8. Dan naar rechts. Dat gedeelte is voorzien van een ongeveer vier meter hoge muur met ijzeren punten er bovenop. De muur is extra glad gemaakt omdat er een stalen voorkant tegenaan is gemetseld. Voor klimmers dus onmogelijk. De enige mogelijkheid is het park in te vluchten. Maar dat is met al die bewaking hier een gevaarlijk idee. Ze zouden een hond op me af kunnen sturen of een schot kunnen lossen. Het is niet verstandig daar zomaar rond te gaan dwalen. Beter is het hier te blijven en een telefoontje te plegen. Dat is het, gewoon even bellen. Ik pak mijn telefoon en merk meteen dat het niet lukt. De wifi is geblokkeerd, ook weer security voor alles.
Ik ga op mijn kont op het bordes zitten en denk na. Iemand zal me toch wel missen? Mijn jas heb ik afgegeven. Ook mijn tas met autopapieren en sleutels moest ik overhandigen. De veiligheid gaat hier echt voor alles. Ik kijk naar het langzaam donker wordende bos. Plotseling staat er iemand naast me. Het is een grote, forse kerel. Nou zal je het hebben. Nou gaat Adje in het bakje. Maar de stem die ik hoor is vriendelijk en komt me bekend voor. ‘Goedenavond,’ zegt de man. Het lijkt verdomme wel de koning. Of het is zijn broer. ‘Hoe maakt u het?’ Ik zeg: ‘Goed, wel een beetje vervelend, want ik zou hier dineren, maar ja, toen was ik buiten en kon ik niet meer naar binnen.’ De man zegt niets, maar pakt een sigaret. Hij biedt me er eentje aan. Met zijn aansteker zet hij die van mij ook in de vlam. We roken zonder iets te zeggen. ‘Weet u,’ zegt de man. ‘U heeft niet veel gemist. Een hoop gebabbel. Je wordt er eigenlijk niet wijzer van.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Ja maar toch,’ zeg ik. ‘Het is wel het feessie van de koning. Dat vind ik toch wel dikke pech. ‘ Hij zucht. Ik hoor hem diep inhaleren. Hij loopt naar het park en zegt: ‘Komt u even mee.’ Ik volg hem gedwee. We lopen door het donkere park en komen bij een huis, het is een soort villa met een veranda. Met een sleutel opent hij een deur. We gaan binnen. Het is een ruimte van 3 bij 4, met een bureau, een schemerlamp en een kast. Aan de muren hangen minstens duizend foto’s van al zijn familieleden, vrienden en vriendinnen. Er staat in een hoek ook een oude computer en daarop liggen een paar schaatsen, hoge Noren.
‘Hier werk ik graag,’ zegt hij. ‘Maar deze kastdeur,‘ hij wijst op een antieke houten kast, ‘die sluit niet goed. Vind ik heel vervelend. Kunt u daar naar kijken voor me?’ Hij knipt een lamp aan en ik bekijk de deur. ‘Heeft u een hamertje?’ vraag ik. Hij geeft het. Waar hij het zo snel vandaan haalt, weet ik niet. Ik klop op de scharnieren, niet recht genoeg. Maar ik heb het zo voor elkaar. Deuren hebben geen geheimen voor me. De man lacht en klopt me op de schouder. ‘Heel fijn,’ zegt hij. ‘Heel fijn.’ Hij loopt naar de kast en opent hem. Daarin staan allemaal schilderijen. ‘Oud en duur,’ mompelt hij. ‘Van mijn grootmoeder geweest. Echte meesterwerken, maar niet mijn smaak. Hier, neem deze. ‘ Hij drukt me een oud bord in handen. Het is rond en van hout, er staan bomen op, een beek en een paar mensen. ‘Veel waard,’ mompelt hij. ‘Maar wat moet ik er mee, ik heb liever een poster met een Feijenoord-voetballer erop.’ ‘Dat meent u niet,’ zeg ik. ‘Grapje,’zegt hij. ‘Nee, maar neemt u rustig dit schilderij mee, geloof me, het is peperduur, maar ik wil er van af. ‘ ‘Kunt u dat niet naar de veiling brengen?’ De man gaat zitten achter zijn notenhouten lievelingsbureau. ‘Een probleem,’ zucht hij. ‘Als ik dat doe, denkt iedereen dat ik op geld uit ben. Het is niet goed voor mijn imago. Ik ben geen geldwolf, maar de mensen denken het al gauw.’ ‘En uw vrouw, wat vindt die ervan?’ Hij lacht, maar zegt niets en staat op. ‘Kom, we gaan een biertje drinken. ‘ We lopen terug naar het paleis en ik heb het schilderij in een plastic tasje van de Albert Heijn, onder mijn arm. Ik vraag me af hoe hij daar aan is gekomen. De keukendeur wordt geopend en in die keuken drinken we nog een glas. Hij vertelt over zijn meiden en dat ze het goed doen op school en dat ze gele Ninjasokken voor hem hebben gekocht en dat ze vaak verstoppertje spelen. Dan begint hij over Feijenoord. Dat is ook mijn grote liefde. Ik sta op met de club en ik ga ermee naar bed. Hij vraagt me of Kenneth Vermeer in het doel blijft en of de trainer Van Bronckhorst nog een toekomst heeft in Rotterdam. Ik raak enthousiast, vertel dat ik nog samen met Robin van Persie heb gespeeld in de F-jes. De koning en ik worden goede maten vanavond, dat is duidelijk.
‘Ik moet naar huis,’ zeg ik. ‘Bedankt voor deze bijzondere avond. ‘ ‘U ook bedankt,’ zegt hij, schudt mijn hand en laat me uit. Ik krijg mijn jas en tas terug en wandel met het bordschilderij naar mijn auto. Zou het echt zoveel waard zijn?
Ik rij naar Kralingen, naar mijn flat en groet mijn zieke vrouw, die in haar versleten duster loopt. Ze vraagt hoe het was. Ik vertel haar alles en laat het bord aan haar zien. Er staat iets met Breug of Breugel linksonder. We bekijken het in het keukenlicht. ‘Zullen we nog een wijntje nemen?’ vraagt ze. Ze pakt het houten schilderij en zegt: ‘Leuk kaasplankje.’ Ze stopt hem in de keukenlade. Handig voor het boterhammetje snijden.
En we eten en drinken en zijn luidruchtig. ‘Wij zijn toch ook gelukkig zo,’ zegt ze. ‘Wij wonen toch ook in een paleis?’ Ik knik. We kussen of we weer net verliefd zijn en storten door onze oude bank.
Lees meer >> | 53 keer bekeken
-
Frankrijk II juli 1975
20 januari 2019
Het autootje was helemaal vol. Mijn drie jaar jongere zus en ik zaten achterin. Zij had het grootste deel van haar babypoppenverzameling om haar heen.Thuis waren moeilijke keuzes gemaakt, er was bij gehuild en getroost en uiteindelijk mocht een select gezelschap baby’s mee. Het viel niet mee de wagen te vullen. De enorme bungalowtent nam toch wel wat ruimte in. En de pannenset. En ook de emmer bleek een lastig object. Die liet zich niet opvouwen. Achter de auto had mijn vader een aanhanger geplaatst, zodat er toch nog ruimte was voor een tandenborstel. En zo hobbelde de moderne familie 1975 de staalstad uit, het was nog donker. Hoewel er geen camping was gereserveerd, was het reisdoel wel vastgelegd. Dat was Bretagne, daar was ook een zee en de vrienden en hun twee kinderen hadden een opblaasbare rubberboot. Zij reden voorop in hun gele auto. Het was 13 juli en we passeerden de grens. Uit de radio kwamen vreemde, onverstaanbare klanken. ‘Dat is Frans,’zei mijn moeder. ‘Dat spreken ze hier en als ze praten doen ze dat zo snel, dat kan je nooit volgen.’ Mijn moeder zag er nog heel jong uit en soms droeg ze een staart en daarom gebeurde het een keer dat iemand dacht dat ze de dochter van mijn vader was. We stopten om ergens te eten. Mijn vader kwam terug met een lang apparaat. ‘Een stokbrood,’ zei hij. ‘Ze hebben hier geen normaal brood.’ Ik bekeek het ding met grote ogen. Hij pakte zijn zakmes en sneed ereen homp af. Het smaakte eigenlijk wel, maar de goudse kaas rolde er steeds vanaf. We tuften verder met de onthaastauto achter het gele gevaar aan. Plotseling zei mijn vader: ‘Wat gaan ze nou doen? Ze rijden door.’ Hij wees naar een afslag. ‘Kijk eens op de kaart.’ Mijn moeder keek op de uitgevouwen kaart en hoewel ze de moeilijkste naaipatronen ook vanaf het papier kon doorgronden, leek deze opdracht toch iets te moeilijk. ‘Afslag 33? Ik zie het niet.’ ‘Het gaat verkeerd,’ hoorde ik mijn vader brommen. En hij had gelijk: Frankrijk bleek veel groter dan ons eigen lage land. We stopten vele uren later bij een plaatsje met de naam Sées. Na de enorme omweg werd ereen camping gevonden. Een camping in die tijd was niet veel meer dan een grasveld en een toiletgebouwtje. En hierin kwam de eerste cultuurschok: bij het openen van de deur dachten we dat de pot gestolen was. Er was tot onze verbijstering alleen een gat. Een gat met daarnaast diverse resten. Het was slikken.
De volgende dag toen we wakker werden, was het 14 juli. Dat zei ons weinig, we vroegen ons wel af waarom er overal Franse vlaggen buiten hingen. Spoedig zouden we merken dat er een probleem kan ontstaan als je niet op de hoogte bent van deze nationale feestdag...Lees meer >> | 57 keer bekeken