• Url naar mijn schrijfwebsite

    24 oktober 2019

    De URL naar mijn blogpagina is:

    https://sjoerdberk.blogspot.com

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 5 keer bekeken

  • Beschrijf een dag uit het leven van je duim

    23 oktober 2019

    Ik, de duim, ben vandaag er helemaal afgezaagd.

    Ik, de duim, ben de duim van een doe-het-zelver.

    Een aardige man die zelf zijn eigen  hout wil zagen, maar niet geschikt is voor het werk.

    Niemand die dat tegen hem durft te zeggen.

    Dat hij zijn timmermanschap uit zijn duim heeft gezogen.

    Plotseling was ik van hem gescheiden. Hij was ontduimd.

    Hij legde mij in een bakje met ijs.

    Samen gingen wij in een ambulance waarop een blauw licht zwaaide.

    De doe- het- zelver gilde en gilde.

    Een dokter hielp ons in de operatiekamer.

    Hup, hup, ging het met schaar en naald.

    Ik was weer verbonden met de man.

    Deze klusser zaagt alleen nog in zijn slaap.

    Idee uit: 333 dingen om over te schrijven

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 7 keer bekeken

  • In de ICE naar Keulen

    14 oktober 2019

    In de ICE trein naar Duitsland

    In de ICE trein naar Duitsland, Keulen. Vanaf Amsterdam CS proberen de reizigers hun vaak veels te grote rolkoffers in het bagagerek te werpen. Nadeel hiervan is dat de koffers  te zwaar zijn en dat het pas lukt in samenwerking met een partner. Ik bied me aan als partner en smijt de handel in het rekje. Ik vraag me af of er geen clandestiene producten in zitten. Illegaal verkregen aapjes, verdovende middelen of allerlei schietgerei. Blijf gewoon geloven in het goede in de mens.

    In deze trein zitten mensen uit alle windstreken en continenten. Van oost naar west en noord naar zuid. Een meisje met een windhond. De pootjes van het beestje liggen in het gangpad. Een van de passagiers gaat er per ongeluk op staan. Zijn lieve bruine ogen kijken ons meelijwekkend aan. Hij vind het echt niet leuk.

    De ICE is dan wel een trein die heel hard kan, 250 km per uur, hier in Holland rijdt hij net zo hard als een NS  intercity. De windhond raakt nu een beetje gestresst. Ze gaat met hem lopen.  Een mijnheer  uit China valt in slaap en begint hard te snurken. Op het rangeerterrein in Venlo staat een man tegen een trein te plassen. Ik heb zicht op de WC en het gezelschap in deze trein, plast  als een trein door. Er is catering aan boord, hetgeen de urineproductie verhoogd.

    Naast me leest een Duitse vrouw een boek over de Italiaanse maffia. Plotseling wil een mijnheer op de stoel van mijn Anja gaan zitten, maar het blijkt dat hij zich in het rijtuig heeft vergist. De reis duurt drie uur en nog wat. Maar je moet zo denken: met het vliegtuig was je er niet sneller geweest.

    De Duitse vrouw naast me, heeft twee tieners bij haar. Ze vragen om de twee minuten om mama en dan moet ik weer opstaan. Ik vind het geen probleem en ook deze vrouw toont geen spoor van irritatie. Ze spreekt een onverstaanbaar soort Duits, waarin ik het woord ‘handy’ hoor. Dat is Duits voor GSM. Haar lieve meisje probeert een flesje cola te laten ontploffen, dus mama  gaat erop af, om een kleine plakkerige ramp te voorkomen. Het meisje is een jaar of 6. Ze komt bij mijn stoel staan en kijkt me onderzoekend aan. Misschien vindt ze het onbegrijpelijk dat ereen vreemde man naast haar moeder zit. De tiener is lang en dunnig en kijkt de wereld in met de ‘alles is stom’ puberblik. Het boek van de vrouw ligt werkloos op haar stoel.

    Thijs babbelt ondertussen vrolijk door over alles wat hij ziet onderweg, maar uiteindelijk glijdt het apparaat het station van Keulen binnen. Naast dit eindpunt staat de gigantische, overdonderend grote Dom. Een gebouw met massieve dikke uren en eindeloos hoge torens die als je omhoog kijkt bijna in de wolken lijken te prikken. Op de torens zijn waterspuwers gemetseld. Meestal afbeeldingen van draken of monsters. Tegen de muren zitten hier en daar zwervers en bedelaars. Tegenover hen staat een paal met een aantal camera’s. Een van de bedelaars knikt vriendelijk naar me. Hij heeft een grote vilten baard en een hond. Ik knik terug. Op de hoek van het plein staan onderdelen van een Romeinse poort. Ook interessant, een kerk en een poort, symbolen van pracht en praal en van macht en onderdrukking. Ook naast die poort zit een dakloze of een uitgeprocedeerde. Hij kijkt me loom aan.

    We gaan de Dom binnen en bij de ingang staan twee mannen vrouwen te inspecteren of ze niet te bloot zijn. De kerk heeft het niet zo op naveltruitjes. Een mevrouw met een blote buik krijgt een zwarte doek aangereikt die ze om haar middel moet knopen. Eenmaal binnen valt op dat deze kerk tamelijk licht is door het enorme hoge venster met het glas-in-lood. Maar indrukwekkend is het wel. Schilderijen, relieken, in goud, blinken je tegemoet. Hoe moet dit geweest zijn voor de beeldenstormers rond 1570 de kerken bestormden en woedend het interieur sloopten? Ik vermoed dat er op elke zuil wel een meesterwerk hing. Op de een of andere manier is het gouden kistje met de beenderen van de drie wijzen uit het oosten bewaard gebleven. Op de kist staan de portretten van Balthazar en zijn vrinden.

    We slenteren de kerk uit. Ik vind het knap van Thijs dat hij het geduld voor dit bezoek opbrengt. Buiten  geef ik hem de camera. Hij maakt filmpjes als een echte vlogger en rent met het ding rond de vijver. We gaan achter de kudde van het massatoerisme aan. Die begeeft zich in de richting van het spoor over de rivier. De Rijn glimt in de middagzon. Het is een prachtig stuk van 400 meter over het water. Aan de brug hangt, aan de kant van het spoor, een berg liefdesslotjes. De geliefden die dit hier hebben opgehangen, hebben het sleuteltje in de rivier gesmeten. Maar daar heeft de Deutsche Bundesbahn geen moeite mee. Met hun stoere spoorwegmateriaal hebben ze die slotjes zo doorgezaagd. De DB is van staal en kiest voor veiligheid in plaats van romantiek. Ik vraag me wel af hoe een paartje denkt zijn slotje terug te vinden. Die slotjes zijn voor het plaatsen gegraveerd, dus het is voor zekere mensen een deel van de broodwinning. ‘Michael ich liebe dich, Vera,’ lees ik. Zouden Michael en Vera nog bij elkaar zijn?          

    We eten een broodje bij de fontein achter de kerk en wapperen met onze kruidnagelolie naar een wesp die er haastig vandoor gaat.

    6-8-2019

           

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 4 keer bekeken

  • Beschrijf een wachtkamer van de tandarts, vanuit het gezichtspunt van de wandklok.

    10 februari 2019

     

    8.00 ’s Ochtends. Sjaak, de tandarts, komt binnen. Doet zijn jas uit. Gaat koffie zetten. Hij drinkt, daarna doet hij zijn groene tandartspak aan. De assistente komt ook binnen. Ze is gebruind, op haar schouders zelfs rood. Ze vertelt een heel verhaal over haar vakantie in Griekenland en dat ze daar een leuke Oostenrijker is tegengekomen. Herbert Unterwasser heet hij. Hij is al wat ouder, maar dat maakt haar niet veel uit. Hij zoent goed. Sjaak knikt. Hij vertelt dat zijn zoon net geslaagd is voor zijn eindexamen van de middelbare school. Die zoon, die Wonder Joy heet, wil ook tandarts worden, maar hij ligt het liefste de hele dag op de bank te spelen met zijn gameboy. ‘Hoe vin je dat nou?’ vraagt hij. ‘De jeugd, ‘zucht zij. ‘Die van mij zitten de hele dag op hun kamer. Ik weet niet eens wat ze doen achter die deur.’ Ze start de computer, het apparaat gaat heel langzaam. Dan komt de eerste patiënt binnen. Een beverige oude heer met één stok en twee tanden. Sjaak herkent hem direct: zijn vroegere onderwijzer van de 6e klas, de heer Vankoudeenhetevuren. De man valt bijna om. ‘Alles goed met u?’roept hij in het linkeroor.’ Je hoeft niet zo te schreeuwen!’ roept de kerel. “Ik ben hier voor mijn tanden, niet voor een gehoortest. ‘Ik heb bij u in de klas gezeten,’ zegt Sjaak terwijl hij de laatste dentalen bekijkt en betimmert. ‘Jij was een dondersteen,’ roept de patiënt. ‘Wat jij allemaal uitvrat, ik wilde je het liefst opsluiten in de kelder. Jammer genoeg mocht dat niet.’ Sjaak legt het spiegeltje terug. ‘Ik was een hele brave jongen,’ protesteert hij. ‘Bent u niet in de war met mijn broer Henk, Henkie van de Broek.’ ‘Nee, nee!’ roept de man. ‘Jij was het en kijk maar eens wat er van je geworden is: tandarts. En je kon zo goed leren!’

    Schrijfopdracht uit: 333 dingen om te schrijven

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 10 keer bekeken

  • Het kaasplankje of een gala in het Koninklijk Paleis

    23 januari 2019

    Ik ontmoet een dame die mijn jas aanneemt en me verzoekt te blijven staan. Een andere dame controleert mijn kaartje. Weer een andere mevrouw loopt mee naar een tafeltje in een hoek van een enorme hal met marmeren vloertegels en  metershoge zuilen.  Op die zuilen liggen honderden bloemstukken, grote witte lelies, paarse bloemen, ik weet niet hoe ze allemaal heten. Ik ben uitgenodigd omdat ik meegeholpen heb mijnheer zijn studeerkamer te herbouwen, om het zomaar eens te zeggen. Mijnheer, dat is mijnheer Willem-Alexander. Yes, de koning. Vandaag ga ik, Ab Timman, de hand van de koning schudden. Er zitten nog meer jongens hier met hun Marietje. Maar dat zijn argitekten en zo. Ik ben de enige die echt heeft gebouwd. Om 20 uur nul nul gaat het gebeuren. Dan gaan we aan tafel. Aan het hoofd van de tafel zie ik al een Koninklijke stoel staan met WA erop. Daarop zal hij gaan zitten en aan de overkant natuurlijk de mooiste vrouw van het hof, koningin Máxima. Ik ben wel nerveus, moet eigenlijk nog even roken. Ik ben een diehard verslaafde, ik schaam me er niet voor dat te zeggen, ik heb alles al geprobeerd. Ik ga een deur door, nog een deur door, ik ken de weg hier. Daar is de keuken. Die heeft twee klapdeuren die naar buiten openslaan. Ik ga erdoor en pak mijn sigaretten. Het is vijf voor 8, zegt mijn Seiko kwarts. Tijd genoeg voor een shot. Ik sta op een soort bordes, met uitzicht op de warme stralen van de zon, over de groene bomen van dit prachtige park. Wat een feest hier te wonen. Vooral in deze mooie zomer. Ik inhaleer en hoor achter me een zoemend geluid. Draai me om en zie een rolluik naar beneden gaan. Ik trap de peuk uit en bemerk dat de deuren dicht zijn. Ik klop op het raam, daar moet toch iemand zijn. Of zou dit automatisch gaan? Ik geef een schreeuw, maar dat is hier kansloos. Mijn echo komt  hard terug van de hoge wanden. De keuken is onder de slaapvertrekken en daar is niemand. Die zijn aan het werk of zitten aan de dis. Ik loop het bordes af, het gras op, naar links. Het bordes is aan de linkerkant afgeschermd met een metershoog hek. Op enige afstand daarachter, ik schat een meter of tien, zie ik een bewaker lopen, hij heeft een hond aan de lijn. Ik roep hem, maar hij hoort me niet. Potverdomme, het is al vijf over 8. Dan naar rechts. Dat gedeelte is voorzien van een ongeveer vier meter hoge muur met ijzeren punten er bovenop. De muur is extra glad gemaakt omdat er een stalen voorkant tegenaan is gemetseld. Voor klimmers dus onmogelijk. De enige mogelijkheid is het park in te vluchten. Maar dat is met al die bewaking hier een gevaarlijk idee. Ze zouden een hond op me af kunnen sturen of een schot kunnen lossen. Het is niet verstandig daar zomaar rond te gaan dwalen. Beter is het hier te blijven en een telefoontje te plegen. Dat is het, gewoon even bellen. Ik pak mijn telefoon en merk meteen dat het niet lukt. De wifi is geblokkeerd, ook weer security voor alles.

    Ik ga op mijn kont op het bordes zitten en denk na. Iemand  zal me toch wel missen? Mijn jas heb ik afgegeven. Ook mijn tas met autopapieren en sleutels moest ik overhandigen. De veiligheid gaat hier echt voor alles. Ik kijk naar het langzaam donker wordende bos. Plotseling staat er iemand naast me. Het is een grote, forse kerel. Nou zal je het hebben. Nou gaat Adje in het bakje. Maar de stem die ik hoor is vriendelijk en komt me bekend voor. ‘Goedenavond,’ zegt de man. Het lijkt verdomme wel de koning. Of het is zijn broer. ‘Hoe maakt u het?’  Ik zeg: ‘Goed, wel een beetje vervelend, want ik zou hier dineren, maar ja, toen was ik buiten en kon ik niet meer naar binnen.’ De man zegt niets, maar pakt een sigaret. Hij biedt me er eentje aan. Met zijn aansteker zet hij die van mij ook in de vlam. We roken zonder iets te zeggen. ‘Weet u,’ zegt de man. ‘U heeft niet veel gemist. Een hoop gebabbel. Je wordt er eigenlijk niet wijzer van.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Ja maar toch,’ zeg ik. ‘Het is wel het feessie van de koning. Dat vind ik toch wel dikke pech. ‘ Hij zucht. Ik hoor hem diep inhaleren. Hij loopt naar het park en zegt: ‘Komt u even mee.’  Ik volg hem gedwee. We lopen door het donkere park en komen bij een huis, het is een soort villa met een veranda. Met een sleutel opent hij een deur. We gaan binnen. Het is een ruimte van 3 bij 4, met een bureau, een schemerlamp en een kast. Aan de muren hangen minstens duizend foto’s van al zijn familieleden, vrienden en vriendinnen. Er staat in een hoek ook een oude computer en daarop liggen een paar schaatsen, hoge Noren.  

     ‘Hier werk ik graag,’ zegt hij. ‘Maar deze kastdeur,‘ hij wijst op een antieke houten kast, ‘die sluit niet goed. Vind ik heel vervelend. Kunt u daar naar kijken voor me?’  Hij knipt een lamp aan en ik bekijk de deur. ‘Heeft u een hamertje?’ vraag ik. Hij geeft het. Waar hij het zo snel vandaan haalt, weet ik niet. Ik klop op de scharnieren, niet recht genoeg. Maar ik heb het zo voor elkaar. Deuren hebben geen geheimen voor me. De man lacht en klopt me op de schouder. ‘Heel fijn,’ zegt hij. ‘Heel fijn.’  Hij loopt naar de kast en opent hem. Daarin staan allemaal schilderijen. ‘Oud en duur,’ mompelt hij. ‘Van mijn grootmoeder geweest. Echte meesterwerken, maar niet mijn smaak. Hier, neem deze. ‘ Hij drukt me een oud bord in handen. Het is rond en van hout, er staan bomen op, een beek en een paar mensen. ‘Veel waard,’ mompelt hij. ‘Maar wat moet ik er mee, ik heb liever een poster met een Feijenoord-voetballer erop.’  ‘Dat meent u niet,’ zeg ik. ‘Grapje,’zegt hij. ‘Nee, maar neemt u rustig dit schilderij mee, geloof me, het is peperduur, maar ik wil er van af. ‘ ‘Kunt u dat niet naar de veiling brengen?’  De man gaat zitten achter zijn notenhouten lievelingsbureau. ‘Een probleem,’ zucht hij. ‘Als ik dat doe, denkt iedereen dat ik op geld uit ben. Het is niet goed voor mijn imago. Ik ben geen geldwolf, maar de mensen denken het al gauw.’  ‘En uw vrouw, wat vindt die ervan?’ Hij lacht, maar zegt niets en staat op. ‘Kom, we gaan een biertje drinken. ‘ We lopen terug naar het paleis en ik heb het schilderij in een plastic tasje van de Albert Heijn, onder mijn arm. Ik vraag me af hoe hij daar aan  is gekomen. De keukendeur wordt geopend en in die keuken drinken we nog een glas. Hij vertelt over zijn meiden en dat ze het goed doen op school en dat ze gele Ninjasokken voor hem hebben gekocht en dat ze vaak verstoppertje spelen. Dan begint hij over Feijenoord. Dat is ook mijn grote liefde. Ik sta op met de club en ik ga ermee naar bed. Hij vraagt me of Kenneth Vermeer in het doel blijft en of de trainer Van Bronckhorst nog een toekomst heeft in Rotterdam. Ik raak enthousiast, vertel dat ik nog samen met Robin van Persie heb gespeeld in de F-jes. De koning en ik worden goede maten vanavond, dat is duidelijk.   

     ‘Ik moet naar huis,’ zeg ik. ‘Bedankt voor deze bijzondere avond. ‘ ‘U ook bedankt,’ zegt hij, schudt mijn hand en laat me uit. Ik krijg mijn jas en tas terug en wandel met het bordschilderij naar mijn auto. Zou het echt zoveel waard zijn?

    Ik rij naar Kralingen, naar mijn flat en groet mijn zieke vrouw, die in haar versleten duster loopt. Ze vraagt hoe het was. Ik vertel haar alles en laat het bord aan haar zien. Er staat iets met Breug of Breugel linksonder. We bekijken het in het keukenlicht. ‘Zullen we nog een wijntje nemen?’ vraagt ze. Ze pakt het houten schilderij en zegt: ‘Leuk kaasplankje.’ Ze stopt hem in de keukenlade. Handig voor het boterhammetje snijden.

    En we eten en drinken en zijn luidruchtig. ‘Wij zijn toch ook gelukkig zo,’ zegt ze. ‘Wij wonen toch ook in een paleis?’ Ik knik. We kussen of we weer net verliefd zijn en storten door onze oude bank.  

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 11 keer bekeken

  • Frankrijk II juli 1975

    20 januari 2019

    Het autootje was helemaal vol. Mijn drie jaar jongere zus en ik zaten achterin. Zij had het grootste deel van haar babypoppenverzameling om haar heen.Thuis waren moeilijke keuzes gemaakt, er was bij gehuild en getroost en uiteindelijk mocht een select gezelschap baby’s mee. Het viel niet mee de wagen te vullen. De enorme bungalowtent nam toch wel wat ruimte in. En de pannenset. En ook de emmer bleek een lastig object. Die liet zich niet opvouwen. Achter de auto had mijn vader een aanhanger geplaatst, zodat er toch nog ruimte was voor een tandenborstel. En zo hobbelde de moderne familie 1975 de staalstad uit, het was nog donker. Hoewel er geen camping was gereserveerd, was het reisdoel wel vastgelegd. Dat was Bretagne, daar was ook een zee en de vrienden en hun twee kinderen hadden een opblaasbare rubberboot. Zij reden voorop in hun gele auto. Het was 13 juli en we passeerden de grens. Uit de radio kwamen vreemde, onverstaanbare klanken. ‘Dat is Frans,’zei mijn moeder. ‘Dat spreken ze hier en als ze praten doen ze dat zo snel, dat kan je nooit volgen.’ Mijn moeder zag er nog heel jong uit en soms droeg ze een staart en daarom gebeurde het een keer dat iemand dacht dat ze de dochter van mijn vader was. We stopten om ergens te eten. Mijn vader kwam terug met een lang apparaat. ‘Een stokbrood,’ zei hij. ‘Ze hebben hier geen normaal brood.’ Ik bekeek het ding met grote ogen. Hij pakte zijn zakmes en sneed ereen homp af. Het smaakte eigenlijk wel, maar de goudse kaas rolde er steeds vanaf. We tuften verder met de onthaastauto achter het gele gevaar aan. Plotseling zei mijn vader: ‘Wat gaan ze nou doen? Ze rijden door.’ Hij wees naar een afslag. ‘Kijk eens op de kaart.’ Mijn moeder keek op de uitgevouwen kaart en hoewel ze de moeilijkste naaipatronen ook vanaf het papier kon doorgronden, leek deze opdracht toch iets te moeilijk. ‘Afslag 33? Ik zie het niet.’ ‘Het gaat verkeerd,’ hoorde ik mijn vader brommen. En hij had gelijk: Frankrijk bleek veel groter dan ons eigen lage land. We stopten vele uren later bij een plaatsje met de naam Sées. Na de enorme omweg werd ereen camping gevonden. Een camping in die tijd was niet veel meer dan een grasveld en een toiletgebouwtje. En hierin kwam de eerste cultuurschok: bij het openen van de deur dachten we dat de pot gestolen was. Er was tot onze verbijstering alleen een gat. Een gat met daarnaast diverse resten. Het was slikken.
    De volgende dag toen we wakker werden, was het 14 juli. Dat zei ons weinig, we vroegen ons wel af waarom er overal Franse vlaggen buiten hingen. Spoedig zouden we merken dat er een probleem kan ontstaan als je niet op de hoogte bent van deze nationale feestdag...

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 10 keer bekeken

  • Frankrijk I    1975

    19 januari 2019

    Frankrijk, 1975  (I)

    Twee meiden in de klas bespraken waar ze naar toe zouden gaan met vakantie. Thailand leek ze wel leuk, of Gambia. Mijn gedachten dwaalden even af, toen ik dit hoorde, naar eigen jeugd en vakantie. De eerste vakanties speelden zich af in Drenthe, in een  geleende bungalowtent die niet waterdicht bleek. En het water stond altijd hoog als wij met vakantie gingen. Mijn vader, zo blijft dat beeld  me altijd bij , stond met een regenjas een schuttersput rond het luchtige verblijf te graven, terwijl  mijn moeder vanachter het plastic raam naar hem zwaaide.  Hij deed dit overigens met een schep uit zijn militaire diensttijd: een schep die je om kon  klappen. Mijn ma droeg drie wollen truien over elkaar. De was werd weggebracht naar mijn schoonmoeder, die in de noordoostpolder woonde. Mijn vader ging daar altijd vissen, dat weet ik nog wel. Maar op een dag in de winter van 1975 sprak hij de onvergetelijke woorden: ‘Drenthe, ik doe het niet meer. We gaan naar eh..Frankrijk.’  En zo geschiedde. Mijn ouders waren weleens in Parijs geweest, maar het provinciale Frankrijk van die dagen kenden ze nog niet. We zouden spoedig leren over die provincie. Voor de Fransen waren wij de ketters van het noorden met hun stroblonde haren en voor ons waren de Fransen niet meer dan naar knoflook walmende bosjesmannen. Goedgemutst stapten wij, mijn ouders, mijn zus en ik in onze groene  Renault 4, inderdaad: de geniale tegenhanger van de Adolf Volkswagen auto- voor- iedereen, een Franse auto.  Wij reden achter hun vrienden aan: zij reden in een kanariegele Ford. Het Frans van mijn ouders en hun vrienden beperkte zich in die tijd tot een paar schoolboekwoorden van de zo geprezen mulo, de voorloper van de mavo. Volgepropt met koffiefilters, pindakaas, pakken hagelslag en een barbecue reden we weg. Overigens, zo zou later blijken, had mijn vader nog nooit een barbecue gebruikt, maar hij was gek op vuur, dus dit was een leuke noviteit.   

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 10 keer bekeken

  • Mijnheer van de Berg en de domme dingen

    10 augustus 2018

    Mijnheer van de Berg, een lange man met een regenjas met diepe zakken, uit het mooie plaatsje Bamberdongen, nam bus 21 op een warme zomeravond. Hij was de enige passagier. Aan het stuur zat een oudere dame. Hij zwaaide naast haar aan een stang. ‘Dus u heeft domme dingen gedaan,’zei ze met een hese stem waar het leven doorheen was gegaan. Hij knikte. ‘Hele domme dingen.’  Ze remde voor een overstekend kind. ‘En heeft u daar iets van geleerd?’ Hij lachte. ‘Heel veel. Maar ik weet niet of ik een beter mens ben geworden. Ik ben een slecht mens, een echte boef.’ Hij draaide aan zijn sik. ‘Ik zie dat u het niet gelooft.’ Ze keek even op naar hem. Hij had een rond gezicht, met rode appelwangen en een rode baard. Hij leek eerder op een tuinkabouter dan op een ontsnapte crimineel. En dat zei ze hem ook droog. ‘Ik ben niet ontsnapt,’ lispelde hij. ‘Ik ben ontslagen, na twintig jaar gezeten te hebben.’ Ze stuurde behendig door een krappe bocht. ‘Met mij is ook alles fout gegaan. Ik ben met verkeerde kerels getrouwd geweest. Nu heb ik allenig schulden. Ik rij mijn rondjes op de bus. Ik geniet ervan, dit werk, maar het is ook om rond te komen. Ik heb een berg rekeningen, u wil het niet weten.’ Even zwegen ze allebei. Het leek of ze in de busrit  hun misère konden delen. Halte Noordendijk. Ze remde af. ‘Hier moet u zijn. U gaat geen domme dingen doen ?’ Hij maakte een v- teken met de vingers van zijn rechterhand en spuugde erdoor. ‘Getsie, u kwat,’ ze keek hem spottend aan. ‘Nou, ga gauw mijn bus uit vieze man.’ Ze lachten. Hij zwaaide naar haar en  stapte uit op halte Noordendijk.

    Het was een warme avond, de vogels floten zachtjes. De Noordendijk was omzoomd door hoge bomen, eiken, schilferige platanen en reusachtige treurwilgen. Er hing een geur van kamperfoelie en bijen gingen dansend op weg naar de maaltijd.  Dit had hij al die tijd moeten missen in het staatshotel. Nu was hij een vrij man. En was hij op weg met een schepje en een zakmes. Op een avond namelijk, stak iemand, een onbekende, een kaartje onder een kier van zijn celdeur door. Daarop stond: ‘Eikel, graaf de schat op, dan delen we samsam, ok? Mondje dicht, varken?’ Eerst had hij hartelijk gelachen om de mededeling, maar hij had de kaart wel goed onder zijn matras verstopt. Je kon nooit weten, misschien was het geld van een overval of een kidnap. Ook Hollander, de beruchte Bamberdonger crimineel en zijn vrienden, begroeven een deel  van de bankroof in een bos. Maar waarom zou een iemand, een iemand anders, een onbekende, de opdracht geven het geld alvast op te graven?  Dat was verdacht, maar het zou kunnen dat andere crimbo’s, of de politie op het spoor van de treasure waren. Dus moest hij snel zijn en: voorzichtig.

    Op de kaart was de plek met een kruisje gemarkeerd bij een knullig getekende boom. Vanaf het kruisje liepen stappen naar een zebrapad. Twee passen links, twee passen rechts, daar moest hij graven. Hij stak de schep in de aarde en begon te scheppen. Het ging goed. Al vrij snel stootte hij op een blauwachtig stuk plastic. Hij groef door, enthousiast geworden. ‘Wat zullen die duizendjes heerlijk knisperen,’ hijgde hij. Hij had het vat nu zowat bloot en kon het deksel openwrikken met zijn mes. Hij zag geld, stapels geld, bundeltjes met elastiekjes aan elkaar gebonden. Zijn hart bonkte van vreugde. Het leven had hem niet veel geluk gebracht, maar vandaag, vandaag was de dag!

    Hij hoorde jongens roepen. Hadden ze hem in de gaten? Bij een naastgelegen boom, een stoere eik achter hem, waren drie jongens. Twee stonden bij de dikke stam en wezen naar een andere jongen. Mijnheer van de Berg zag wat ze deden: ze speelden galgje en de derde knaap hing in een lus aan de tak, met het touw om de nek. Mijnheer van de Berg dacht aan verder graven, toen een stem hem toesprak. Hij herkende het als de stem van zijn reeds lang gevlogen vader. ‘Willy,’ zei deze. ‘Willy, dit kun je niet laten gebeuren, zoon. Pak dat mes en red de jongen. Toe dan, waar wacht je op, vind je je geld belangrijker, eikeltje, varken?’ Even had mijnheer van de Berg verbaasd gekeken, toen zag hij de doodsstrijd van de jongen. Met zijn handen zwaaide deze wild om zich heen. Zijn gezicht was paars, een straaltje bloed liep uit zijn neus. Hij vocht om zijn laatste adem.

    In een paar passen was mijnheer van de Berg bij hem, met het mes. Het vlijmscherpe staal liet hij door het touw glijden. Het ging gemakkelijk, de jongen plofte op de grond. De man wierp zijn mobiele telefoon naar een van de jongens en riep: ‘Bel 112!’ De jongen liet de telefoon kletteren. Van de Berg had geen tijd zich daar druk over te maken. Hij hurkte naast de jongen en luisterde naar het hart en de ademhaling. Niks. In het gesticht had hij uit verveling een cursus reanimeren gevolgd. De begeleiders waren daar zeer over te spreken geweest. Eindelijk zien we ook je goede kant Van de Berg, hadden ze gesmiled. Dus hij plaatste zijn kolenschoppen op de borst van de jongen en begon te pompen. Hij blies lucht in de longen, hij pompte. Het leek eeuwen en eeuwen te duren, langer dan zijn detentie. Maar plotseling voelde hij een hartslag onder zijn handen. Een wonder, dat wist hij uit het theorieboekje, het kwam weinig voor dat iemand met reanimatie, iemand naar onze verdorven wereld terughaalde. ‘Hij leeft!’ riep hij. Er stonden inmiddels vele toeschouwers te filmen met hun telefoon, zonder iets te doen. Mijnheer van de Berg hoorde de jongen rochelen. Hij moest spugen. Hij draaide hem op zijn zij. De jongen kotste over zijn schoenen. Toen kwam de ambulance. Het slachtoffer werd in het voertuig geschoven. Van de Berg werd op de schouders geslagen en betimmerd en hij kreeg zoveel loftuitingen als hij nog nooit in zijn leven ontvangen had. Hij werd zelfs week van binnen. Maar snel riep hij dat hij weg moest en hij nam haastig afscheid. Er werden nog tientallen foto’s van hem gemaakt die in duizelingwekkende snelheid over het internet gingen. Maar daarvan had hij geen weet, hij was zolang uit de echte wereld geweest dat hij de digitale ontwikkelingen niet bij had kunnen houden.

    Toen hij zich echt los had gemaakt, zag hij dat er verderop  stevig gevochten werd door verschillende mensen. Instinctief begreep hij dat dit wel moest gaan om het geld. Ze hadden het gevonden! In de kluwen mensen ontwaarde hij twee oude heren, kalend en scheef getrokken, die ieder aan een briefje van duizend trokken. Er waren gestudeerde lui bij, een man en een vrouw, met nette truitjes, die karatetrappen aan elkaar uitdeelden. Hij zag tanden voorbij komen. Een man die hij herkende als politiefunctionaris, duwde een vlezige jongedame van de dijk, in de sloot. Hij zag  ook kledingstukken voorbij komen. Een stuk van een kous, een jasje, een blauwe sjaal, een zwembroek en geld. Er vloog geld door de lucht, heel veel geld. Het was in bundeltjes verpakt. Waarschijnlijk honderd van duizend, schatte hij in. Hij wilde er niets meer mee. Hij was moe van de reanimatie, hij was zo aangeslagen, dat het geld hem even gestolen kon worden. Toch wierp iemand hem krijsend drie bundeltjes naar zijn hoofd. Hij ontweek ze. Ze bleven voor hem liggen. Hij zag nu dat de groep het in de gaten had en dacht dat hij het wilde ontvreemden. ‘Pak hem!’ riep een vrouw met een zeemeermintatoeage op haar voorhoofd. Hij moest weg. Snel raapte hij het op en maakte  zich met het geld uit de voeten. Hij zou hij wel ergens weggooien. Eerst het eigen leven zien te redden. De groep kwam achter hem aan. Hij voelde hun adem in zijn nek, ze zouden hem doden, daar was hij zeker van.

    Hij naderde nu de bushalte. Bus 21 kwam er net aan. Dit moest een wonder zijn. De oude dame zat achter haar grote stuur. ‘Laat me binnen!’ hijgde hij. Hij klom in de bus en weg waren ze. De kudde achtervolgde als een dolle de wagen.  Ze trapten tegen de banden, een jongeman hield zich vast aan de ruitenwissers, maar moest loslaten en verdween onder de bus. Er werd een schoen naar de ramen geworpen, daarna een steen. Een ruit brak. De chauffeuse gaf flink gas, ze gierden door bochten. Toen remde ze. Het was stil om hen heen.

     ‘Domme dingen gedaan?’ vroeg ze streng. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem lang aan. ‘Weet je dat je een blauw oog hebt, tuinkabouter?’ Hij voelde aan zijn oog, het was dik. Hij moest een klap gehad hebben van iemand, hij kon het zich niet herinneren. ‘Ik heb iemands leven gered,’ zei hij langzaam. ‘Een jongen, hij speelde galgje, maar dan echt, hoe dom kun je zijn?’  Hij merkte dat ze het niet geloofde. ‘Kom even mee naar mijn huis,’ zei ze. ‘Dan doe ik wat op je oog.’

    Even later betrad hij haar woning. Ondanks de schurende pijn in zijn oog, kon hij zien hoe de stand van zaken in het leven van zijn reddende engel was: in de kamer was een wiebelige tafel geplaatst, naast een versleten bankstel. Er stond een oude, kromgebogen schemerlamp. Er was merkwaardig genoeg verder niets  geplaatst en het deed hem denken aan zijn verblijfsruimte van zovele jaren. Op de bank lag een bleke tiener, een meisje, ze was blind. Ze leek hem erg ziek.  Het was hier kommer en kwel, de geur van armoede die je niet verwachtte in het rijke Bamberdongen, waar de economie draaide als een geoliede machine. Het vloerkleed was gerafeld en lang niet gestofzuigd. Er lag zand en stof op de vloer.

    Ze haalde water en ijs en depte met een vieze doek zijn linkeroog. Hij vreesde voor een infectie.

    ‘Morgen zal ik bij de jongen kijken,’zuchtte hij. Ze zaten aan een wiebelige, houten tafel. Hij kreeg thee van haar. ‘Mijn water is sinds vandaag weer aangesloten,’ zei ze. Hij knikte. Haar moed en optimisme troffen hem. Hij voelde zich moe na zijn reddingsactie en na zijn vlucht. Hij schaamde zich diep in deze treurnis. Wat moest hij zeggen? Ik heb veel geld in mijn zak. Wil je het hebben? Het is beter als jij het neemt. Mij zullen ze opzoeken, het afpakken en me alsnog doodslaan. Misschien ook wel zonder dat ik geld heb. Ik sta waarschijnlijk in elke krant.

    Hij had spijt. Zijn opgewektheid over het te veroveren geld was verdwenen. Hij keek naar haar gezicht, het was krachtig. Ferme kaken, een trotse kin. Vroeger moest zij mooi geweest zijn. Iemand waar mannen naar keken. Maar wat te doen? Hij kon het geld niet meer gebruiken, het was zinloos. Zijn lijf voelde elke dag moe en pijnlijk. Het kon niet lang meer duren. Maar zou zij het accepteren als hij het haar schonk? Ze was zo trots. Ze zou kunnen zeggen: ‘Uit mijn huis met die rotzooi!’ Hij legde de bundeltjes onverwacht op tafel. De een na de ander. Hij telde ondertussen. Vijf miljoen euro. Zij zweeg. ‘Voor jou,’zei hij prevelend. ‘Ik heb er niks an.’ Ze zweeg nog steeds. ‘Maar je kunt ze nu nog niet gebruiken. Ik moet ze eerst witwassen.’ Ze zweeg, vouwde haar handen. ‘Ik begin een zaak, op papier.’ Ze legde haar handen op zijn eeltige knuisten. ‘Hou daarover op,’ zei ze. ‘Morgen ga ik met je mee naar de jongen. Dat is belangrijker dan dit.‘ Hij zag door zijn ene oog, haar ogen nu voor het eerst. Helder blauw en zuiver uit het water van een bergbeek. Ze troffen hem diep. Het meisje legde nu ook haar handen op die van hen. Zo zaten ze bij elkaar. Het licht viel uit. Het was aardedonker. Hij dorst zijn handen niet terug te trekken. Een uur zaten ze zo, in het duister. Ze zwegen. Het licht ging aan. Het blinde meisje liet haar vingers over het geld gaan. ‘Ik moet iets verdrietigs zeggen,’ zei ze. ‘Het geld is niet echt. Ik voel de watermerken niet.’ Hij greep ook een paar briefjes. Hield ze tegen het licht. ‘Je hebt gelijk,’ sprak hij. ‘Het is nep en erg slecht gedaan, ik zie het met een oog!’   Zij leunde achterover. ‘Domme, domme dingen breng je mee, lieve man. Toch hou ik van je, sinds vanavond. ‘Ik ook,’giechelde het meisje. ‘Ik ook van jullie,’ lachte mijnheer van de Berg, ex-gedetineerde uit het plaatsje Bamberdongen.  

     

     

     

    Mijnheer van de Berg en de domme dingen

    Mijnheer van de Berg, een lange man met een regenjas met diepe zakken, uit het mooie plaatsje Bamberdongen, nam bus 21 op een warme zomeravond. Hij was de enige passagier. Aan het stuur zat een oudere dame. Hij zwaaide naast haar aan een stang. ‘Dus u heeft domme dingen gedaan,’zei ze met een hese stem waar het leven doorheen was gegaan. Hij knikte. ‘Hele domme dingen.’  Ze remde voor een overstekend kind. ‘En heeft u daar iets van geleerd?’ Hij lachte. ‘Heel veel. Maar ik weet niet of ik een beter mens ben geworden. Ik ben een slecht mens, een echte boef.’ Hij draaide aan zijn sik. ‘Ik zie dat u het niet gelooft.’ Ze keek even op naar hem. Hij had een rond gezicht, met rode appelwangen en een rode baard. Hij leek eerder op een tuinkabouter dan op een ontsnapte crimineel. En dat zei ze hem ook droog. ‘Ik ben niet ontsnapt,’ lispelde hij. ‘Ik ben ontslagen, na twintig jaar gezeten te hebben.’ Ze stuurde behendig door een krappe bocht. ‘Met mij is ook alles fout gegaan. Ik ben met verkeerde kerels getrouwd geweest. Nu heb ik allenig schulden. Ik rij mijn rondjes op de bus. Ik geniet ervan, dit werk, maar het is ook om rond te komen. Ik heb een berg rekeningen, u wil het niet weten.’ Even zwegen ze allebei. Het leek of ze in de busrit  hun misère konden delen. Halte Noordendijk. Ze remde af. ‘Hier moet u zijn. U gaat geen domme dingen doen ?’ Hij maakte een v- teken met de vingers van zijn rechterhand en spuugde erdoor. ‘Getsie, u kwat,’ ze keek hem spottend aan. ‘Nou, ga gauw mijn bus uit vieze man.’ Ze lachten. Hij zwaaide naar haar en  stapte uit op halte Noordendijk.

    Het was een warme avond, de vogels floten zachtjes. De Noordendijk was omzoomd door hoge bomen, eiken, schilferige platanen en reusachtige treurwilgen. Er hing een geur van kamperfoelie en bijen gingen dansend op weg naar de maaltijd.  Dit had hij al die tijd moeten missen in het staatshotel. Nu was hij een vrij man. En was hij op weg met een schepje en een zakmes. Op een avond namelijk, stak iemand, een onbekende, een kaartje onder een kier van zijn celdeur door. Daarop stond: ‘Eikel, graaf de schat op, dan delen we samsam, ok? Mondje dicht, varken?’ Eerst had hij hartelijk gelachen om de mededeling, maar hij had de kaart wel goed onder zijn matras verstopt. Je kon nooit weten, misschien was het geld van een overval of een kidnap. Ook Hollander, de beruchte Bamberdonger crimineel en zijn vrienden, begroeven een deel  van de bankroof in een bos. Maar waarom zou een iemand, een iemand anders, een onbekende, de opdracht geven het geld alvast op te graven?  Dat was verdacht, maar het zou kunnen dat andere crimbo’s, of de politie op het spoor van de treasure waren. Dus moest hij snel zijn en: voorzichtig.

    Op de kaart was de plek met een kruisje gemarkeerd bij een knullig getekende boom. Vanaf het kruisje liepen stappen naar een zebrapad. Twee passen links, twee passen rechts, daar moest hij graven. Hij stak de schep in de aarde en begon te scheppen. Het ging goed. Al vrij snel stootte hij op een blauwachtig stuk plastic. Hij groef door, enthousiast geworden. ‘Wat zullen die duizendjes heerlijk knisperen,’ hijgde hij. Hij had het vat nu zowat bloot en kon het deksel openwrikken met zijn mes. Hij zag geld, stapels geld, bundeltjes met elastiekjes aan elkaar gebonden. Zijn hart bonkte van vreugde. Het leven had hem niet veel geluk gebracht, maar vandaag, vandaag was de dag!

    Hij hoorde jongens roepen. Hadden ze hem in de gaten? Bij een naastgelegen boom, een stoere eik achter hem, waren drie jongens. Twee stonden bij de dikke stam en wezen naar een andere jongen. Mijnheer van de Berg zag wat ze deden: ze speelden galgje en de derde knaap hing in een lus aan de tak, met het touw om de nek. Mijnheer van de Berg dacht aan verder graven, toen een stem hem toesprak. Hij herkende het als de stem van zijn reeds lang gevlogen vader. ‘Willy,’ zei deze. ‘Willy, dit kun je niet laten gebeuren, zoon. Pak dat mes en red de jongen. Toe dan, waar wacht je op, vind je je geld belangrijker, eikeltje, varken?’ Even had mijnheer van de Berg verbaasd gekeken, toen zag hij de doodsstrijd van de jongen. Met zijn handen zwaaide deze wild om zich heen. Zijn gezicht was paars, een straaltje bloed liep uit zijn neus. Hij vocht om zijn laatste adem.

    In een paar passen was mijnheer van de Berg bij hem, met het mes. Het vlijmscherpe staal liet hij door het touw glijden. Het ging gemakkelijk, de jongen plofte op de grond. De man wierp zijn mobiele telefoon naar een van de jongens en riep: ‘Bel 112!’ De jongen liet de telefoon kletteren. Van de Berg had geen tijd zich daar druk over te maken. Hij hurkte naast de jongen en luisterde naar het hart en de ademhaling. Niks. In het gesticht had hij uit verveling een cursus reanimeren gevolgd. De begeleiders waren daar zeer over te spreken geweest. Eindelijk zien we ook je goede kant Van de Berg, hadden ze gesmiled. Dus hij plaatste zijn kolenschoppen op de borst van de jongen en begon te pompen. Hij blies lucht in de longen, hij pompte. Het leek eeuwen en eeuwen te duren, langer dan zijn detentie. Maar plotseling voelde hij een hartslag onder zijn handen. Een wonder, dat wist hij uit het theorieboekje, het kwam weinig voor dat iemand met reanimatie, iemand naar onze verdorven wereld terughaalde. ‘Hij leeft!’ riep hij. Er stonden inmiddels vele toeschouwers te filmen met hun telefoon, zonder iets te doen. Mijnheer van de Berg hoorde de jongen rochelen. Hij moest spugen. Hij draaide hem om zijn zij. De jongen kotste over zijn schoenen. Toen kwam de ambulance. Het slachtoffer werd in het voertuig geschoven. Van de Berg werd op de schouders geslagen en betimmerd en hij kreeg zoveel loftuitingen als hij nog nooit in zijn leven ontvangen had. Hij werd zelfs week van binnen. Maar snel riep hij dat hij weg moest en hij nam haastig afscheid. Er werden nog tientallen foto’s van hem gemaakt die in duizelingwekkende snelheid over het internet gingen. Maar daarvan had hij geen weet, hij was zolang uit de echte wereld geweest dat hij de digitale ontwikkelingen niet bij had kunnen houden.

    Toen hij zich echt los had gemaakt, zag hij dat er verderop  stevig gevochten werd door verschillende mensen. Instinctief begreep hij dat dit wel moest gaan om het geld. Ze hadden het gevonden! In de kluwen mensen ontwaarde hij twee oude heren, kalend en scheef getrokken, die ieder aan een briefje van duizend trokken. Er waren gestudeerde lui bij, een man en een vrouw, met nette truitjes, die karatetrappen aan elkaar uitdeelden. Hij zag tanden voorbij komen. Een man die hij herkende als politiefunctionaris, duwde een vlezige jongedame van de dijk, in de sloot. Hij zag  ook kledingstukken voorbij komen. Een stuk van een kous, een jasje, een blauwe sjaal, een zwembroek en geld. Er vloog geld door de lucht, heel veel geld. Het was in bundeltjes verpakt. Waarschijnlijk honderd van duizend, schatte hij in. Hij wilde er niets meer mee. Hij was moe van de reanimatie, hij was zo aangeslagen, dat het geld hem even gestolen kon worden. Toch wierp iemand hem krijsend drie bundeltjes naar zijn hoofd. Hij ontweek ze. Ze bleven voor hem liggen. Hij zag nu dat de groep het in de gaten had en dacht dat hij het wilde ontvreemden. ‘Pak hem!’ riep een vrouw met een zeemeermintatoeage op haar voorhoofd. Hij moest weg. Snel raapte hij het op en maakte  zich met het geld uit de voeten. Hij zou hij wel ergens weggooien. Eerst het eigen leven zien te redden. De groep kwam achter hem aan. Hij voelde hun adem in zijn nek, ze zouden hem doden, daar was hij zeker van.

    Hij naderde nu de bushalte. Bus 21 kwam er net aan. Dit moest een wonder zijn. De oude dame zat achter haar grote stuur. ‘Laat me binnen!’ hijgde hij. Hij klom in de bus en weg waren ze. De kudde achtervolgde als een dolle de wagen.  Ze trapten tegen de banden, een jongeman hield zich vast aan de ruitenwissers, maar moest loslaten en verdween onder de bus. Er werd een schoen naar de ramen geworpen, daarna een steen. Een ruit brak. De chauffeuse gaf flink gas, ze gierden door bochten. Toen remde ze. Het was stil om hen heen.

     ‘Domme dingen gedaan?’ vroeg ze streng. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem lang aan. ‘Weet je dat je een blauw oog hebt, tuinkabouter?’ Hij voelde aan zijn oog, het was dik. Hij moest een klap gehad hebben van iemand, hij kon het zich niet herinneren. ‘Ik heb iemands leven gered,’ zei hij langzaam. ‘Een jongen, hij speelde galgje, maar dan echt, hoe dom kun je zijn?’  Hij merkte dat ze het niet geloofde. ‘Kom even mee naar mijn huis,’ zei ze. ‘Dan doe ik wat op je oog.’

    Even later betrad hij haar woning. Ondanks de schurende pijn in zijn oog, kon hij zien hoe de stand van zaken in het leven van zijn reddende engel was: in de kamer was een wiebelige tafel geplaatst, naast een versleten bankstel. Er stond een oude, kromgebogen schemerlamp. Er was merkwaardig genoeg verder niets  geplaatst en het deed hem denken aan zijn verblijfsruimte van zovele jaren. Op de bank lag een bleke tiener, een meisje, ze was blind. Ze leek hem erg ziek.  Het was hier kommer en kwel, de geur van armoede die je niet verwachtte in het rijke Bamberdongen, waar de economie draaide als een geoliede machine. Het vloerkleed was gerafeld en lang niet gestofzuigd. Er lag zand en stof op de vloer.

    Ze haalde water en ijs en depte met een vieze doek zijn linkeroog. Hij vreesde voor een infectie.

    ‘Morgen zal ik bij de jongen kijken,’zuchtte hij. Ze zaten aan een wiebelige, houten tafel. Hij kreeg thee van haar. ‘Mijn water is sinds vandaag weer aangesloten,’ zei ze. Hij knikte. Haar moed en optimisme troffen hem. Hij voelde zich moe na zijn reddingsactie en na zijn vlucht. Hij schaamde zich diep in deze treurnis. Wat moest hij zeggen? Ik heb veel geld in mijn zak. Wil je het hebben? Het is beter als jij het neemt. Mij zullen ze opzoeken, het afpakken en me alsnog doodslaan. Misschien ook wel zonder dat ik geld heb. Ik sta waarschijnlijk in elke krant.

    Hij had spijt. Zijn opgewektheid over het te veroveren geld was verdwenen. Hij keek naar haar gezicht, het was krachtig. Ferme kaken, een trotse kin. Vroeger moest zij mooi geweest zijn. Iemand waar mannen naar keken. Maar wat te doen? Hij kon het geld niet meer gebruiken, het was zinloos. Zijn lijf voelde elke dag moe en pijnlijk. Het kon niet lang meer duren. Maar zou zij het accepteren als hij het haar schonk? Ze was zo trots. Ze zou kunnen zeggen: ‘Uit mijn huis met die rotzooi!’ Hij legde de bundeltjes onverwacht op tafel. De een na de ander. Hij telde ondertussen. Vijf miljoen euro. Zij zweeg. ‘Voor jou,’zei hij prevelend. ‘Ik heb er niks an.’ Ze zweeg nog steeds. ‘Maar je kunt ze nu nog niet gebruiken. Ik moet ze eerst witwassen.’ Ze zweeg, vouwde haar handen. ‘Ik begin een zaak, op papier.’ Ze legde haar handen op zijn eeltige knuisten. ‘Hou daarover op,’ zei ze. ‘Morgen ga ik met je mee naar de jongen. Dat is belangrijker dan dit.‘ Hij zag door zijn ene oog, haar ogen nu voor het eerst. Helder blauw en zuiver uit het water van een bergbeek. Ze troffen hem diep. Het meisje legde nu ook haar handen op die van hen. Zo zaten ze bij elkaar. Het licht viel uit. Het was aardedonker. Hij dorst zijn handen niet terug te trekken. Een uur zaten ze zo, in het duister. Ze zwegen. Het licht ging aan. Het blinde meisje liet haar vingers over het geld gaan. ‘Ik moet iets verdrietigs zeggen,’ zei ze. ‘Het geld is niet echt. Ik voel de watermerken niet.’ Hij greep ook een paar briefjes. Hield ze tegen het licht. ‘Je hebt gelijk,’ sprak hij. ‘Het is nep en erg slecht gedaan, ik zie het met een oog!’   Zij leunde achterover. ‘Domme, domme dingen breng je mee, lieve man. Toch hou ik van je, sinds vanavond. ‘Ik ook,’giechelde het meisje. ‘Ik ook van jullie,’ lachte mijnheer van de Berg, ex-gedetineerde uit het plaatsje Bamberdongen.  

     

     

     

                              

     

     

           

                              

     

     

           

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 11 keer bekeken

  • Denk je dat ik dichten kan?

    6 mei 2018

    Gedichten experience

     

    Ik  dacht: ik kan ook wel een gedicht schrijven. Miljoenen mensen schrijven gedichten over hun belevenissen. Ik heb gezegd: bij mij komt er geen gedicht meer. Maar vandaag dacht ik: Niet zeuren, schrijf een gedicht. Zet een breekijzer op het papier. En het resultaat? Ach, het werd wat, hoe zal ik het zeggen, humoristisch, absurd. Mijn ziel vloog op als een vlinder. Er was bij het schrijven geen zware gedachte aan te boren. Nu weet ik nog steeds niet of ik wel dichten kan. Rijmen ja, maar dichten?    

     

    Denk je dat ik dichten kan?

    Een, twee, drie,

    kus op je knie,

    vier, vijf, zes,

    denk je dat ik dichten kan?

    ik kan dichten

    als een gorillaman.

    Zeven, acht, worst,

    trommel op je borst,

    denk je dat ik dichten kan?

    ik kan dichten

    als een gorillaman.

    ****

     

    Kwekje

    Kwekje,

    er staat geen zout

    in mijn keukenrekje.

    ****

     

    Gepruts

    Ik pruts maar aan met regels,

    soms lijkt het goed te gaan

    maar als het doucheschuim op de tegels

    veeg ik het weg

    en begin van voor af aan.

    ***

     

    Eitje tik

    Op 1 mei

    kook ik een ei

    op 2 mei

    neem ik jou erbij

    op 3 mei

    neem ik vrij

    en leg mijn ei

    nog warm

    op de prei.

     

    ***

    Kandidaat-notaris

    Een kandidaat-notaris

    is een notaris

    die nog lang niet  klaar is.

     

     

     

    Eksjion trilt na

    Eksjion is hier gekomen

    de winkel van je dromen

    je kunt er ook je partner kopen

    een plastic robot, twee euro vijftig,

    die al snel niet meer wil lopen.                                                          

    Het enige onderdeel dat dan nog werkt

    zijn die billen

    die voorzien van rode lampen

    nog een dagje blijven trillen. 

     

    ***

     

     

     

     

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 11 keer bekeken

  • www.sjoerdberk.blogspot.com

    31 januari 2018

    Neem eens een kijkje op mijn blogpagina: www.sjoerdberk.blogspot.com

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 13 keer bekeken

  • Meer blogs >>