Blog
Op de hoogte blijven van mijn blogs? Abonneer je op mijn nieuwsbrief.-
Terschelling
21 oktober 2016Dit verhaal is een oud volks verhaal dat ik zelf heb ingevuld met mijn eigen fantasie en daarom sterk kan afwijken van de manier waarop het op het eiland wordt verteld. En de foto hierbij, daarop ben ik die kleine man, met mijn Terschellinger opa Cornelis Cupido (1916-1972), genomen in IJmuiden, 1967.
Kleine Sip Cupido hield de viool onder zijn arm. Hij was bang dat het instrument kapot zou vriezen in de ijzige kou. Het was een verschrikkelijk koude nacht, met een snijdende noordoostenwind. Voor hem lag het bevroren meer van de Doodemanskisten op West. De gemakkelijkste weg naar huis was recht over het ijs van dat meertje. Zijn vriend Grote Sjoerd liep voorop. De maan scheen volop in de donkere nacht en toverde licht op het blauwzwarte oppervlak. Dat hielp hen de weg te vinden over het verlaten eiland. Het water bevroor in hun baarden en maakte daaraan lange, zilveren staven en onder hun schoenen kraakten sneeuw en ijs, maar verder was het stil als op een poolvlakte. Kleine Sip had de verdiende centen in de zak van zijn jas gestopt. Vijf gulden maar liefst, een geweldige oogst voor het zingen en spelen van liedjes. Maar hij was het waard, hij was de muzikant van Terschelling. Geen bruiloft of jubileum op Sip was erbij met zijn viool. Dan moest zijn broer, Lange Sip, alleen voor hun vijf schapen zorgen. Vijf schapen hadden ze nog maar sinds de andere vijf ziek werden en stierven. Hij was blij dat hij zo’n muzikaal talent had gekregen van de Lieve Heer. Hij had zichzelf het spelen geleerd tijdens de lange winteravonden. Op zeker moment waren de optredens gekomen. Altijd ging zijn vriend Grote Sjoerd mee, want Sjoerd ging na de liedjes met de pet en dat deed hij heel goed. Sjoerd was charmant, hij had een vlotte babbel, veel vlotter dan Sip die alleen sprak via zijn instrument. Samen waren Kleine Sip en Grote Sjoerd een prachtig stel. Op deze bitterkoude decemberavond in het jaar 1825 hadden zij gespeeld op de trouwerij van Jan en Swaan. Alles leek goed te gaan, de pet werd goed gevuld, ze kregen een gratis slok en verlieten herberg het Zilte Schuim in een opperbest humeur. Maar nu hoorde Sjoerd een gesmoorde vloek. “Wat is er Sip?’ vroeg hij geschrokken,’ is je viool kapot?’ ‘Nee jong,’ zei Sip, ‘het is het geld.’ Sip hurkte op het ijs en nu zag Sjoerd het ook: een gulden was uit de broekzak gegleden, op het ijs gevallen en direct vastgevroren. Een kostbare gulden al gereserveerd om de dokter te laten kijken naar Sips hoestende zusje. Angst en paniek streden in hem, maar denken ging moeizaam, zo veel graden onder nul. ‘Wat moet ik nu?’ bibberde hij. ‘het ding zit vast en hier wachten kunnen we ook niet.’ ‘Ik weet wat,’ zei de nuchtere Sjoerd rustig, ‘we gaan hem losplassen.’ ‘Hè?’ Sip begreep het niet. ‘Ja, plassen, zeiken, plas is warm toch..’ ‘Nou hier,’sputterde Sip, ‘als ik hem nu uit de broek haal dan bevriest hij toch jong, hoe gaat die dan ooit weer ontdooien?’ ‘Ik hou hem vast,’ Sjoerd lachte breed met de drie tanden die hij nog had. ‘Dat kun je niet menen,’ beefde Sip. ‘Hoe wil je het anders?’ ‘Als de dominee dit ziet dan gaat hij naar ons hait en die gaat me slaan..’ ‘We doen het snel.’ En zo gebeurde het. Sip hurkte en plaste over de munt die wat losser kwam te zitten en door Sjoerd snel losgewrikt kon worden. Een mooi verhaal natuurlijk en de violist zou een verre voorvoorvoorvoorvader van me zijn. Ik weet het niet, het zou kunnen. Ik ben eens in het Behouden Huys geweest, dat is het museum over de geschiedenis van Terschelling en ik sprak daar met een medewerker die me kon bevestigen dat de viool en de violist inderdaad hebben bestaan en dat het museum in bezit is van het instrument van Cupido. Cupido, de god van de liefde, de god van het romantische snarenspel.
Lees meer >> | 105 keer bekeken
-
Zoemende wachters
8 oktober 2016‘Au!’ riep mijn zus. ‘Rotbeest!’ Ze stampvoette van woede en pijn. ‘Hij heeft me gestoken, onder mijn broekspijp. Kijk dan, doe er iets aan!’ Ik voelde me schuldig. Ik had haar aangeboden haar fiets in mijn schuur te zetten, vanwege de bedenkelijke reputatie van mijn buurt. Een prachtwijk. Maar ik had gezien dat er twee wespen in en uitvlogen. Ik hoopte eerst dat ze vanzelf weg zouden gaan, dat bleek een illusie. Integendeel: ze zagen mijn schuur als het land Kanaän, het beloofde land. Terwijl mijn zus foeterde zag ik een cirkel agressieve wespen voor de schuurdeur hangen en vooraan hing de kleinste, David, met zijn angel naar mij, Goliath, gericht. Ik begreep dat ik iets moest doen. Nadat ik duizend excuses aan mijn zus had aangeboden belde ik een bureau gespecialiseerd in dierterrorismebestrijding. De veiligheidsdienst zou een spion sturen. Een half uur later belde double o seven aan. Met een license to kill.
Lees meer >> | 34 keer bekeken
-
Wat is erger?
30 september 2016‘Ik had al zo’n lange tijd last van mijn knie. Alle dokters ben ik er mee afgeweest. Man, man, wat had ik een pijn. Het begon allemaal tijdens een strandvakantie in Spanje. Ik stond stoer te springen in de branding om indruk te maken op een lekker chickje. Maar toen hoorde ik: ‘krak!’ en ik voelde iets in mijn linkerknie verschuiven. Ik kon niets meer, stond als een ooievaar in de zee, op één poot. Iedereen lachte om mij, ook dat chickje. Ik verrekte van de pijn. Vrienden brachten me naar de EHBO en daar was een dokter, nou zo noemde hij zich, maar ik denk dat hij zijn eerste jaar medicijnen nooit heeft afgerond. Hij verbond mijn knie zo strak, mijn poot werd helemaal blauw man. Dus ik weer terug naar die slager, met mijn vrienden. Hij klopte op mijn billen, zo een was het ook, en zei: ‘Well, just in time’.
Jaren na dit gedoe bleef ik maar last houden. Pijn man, maar op de foto’s zagen de dokters niks, zeiden ze. Goed, een medisch wonder dus, in negatieve zin. Ik was er zo ziek van dat ik bijna elke avond naar de kroeg van tante Nel ging. Daar liet ik me dan helemaal vollopen. Zo jong, vol plannen, ik wilde militair worden, dat was mijn jeugddroom, en dan niks meer kunnen. Het maakte me somber. Nel zag het en ze zei: ‘Ik zal het Arie eens vragen, hij heeft mij ook geholpen met me rug.’ Ik keek haar glazig aan. Ze bedoelde toch niet die half demente, alcoholistische zwerver die ze zo liefdevol had binnengehaald?
Op een herfstavond in de zomer hing ik weer in die kroeg. Stomdronken was ik. Ik had alles door elkaar gezopen: whisky, tequila, bier, wijn. Ik kon amper nog staan, de herberg leek zo groot als het universum en het draaide allemaal om mij. Het was helemaal vol met andere ongelukkigen om mij heen. Een hanekam naast mij ging op een stoel staan en riep zo hard dat de ruiten rinkelden: ‘Seeeekskkks!’ en daarna nam hij weer plaats. Zo’n avond was dat. Om het feest compleet te maken blubberde dikke Arie plots naast me. Ik herkende hem aan de geur van bedorven haring. Aan zijn rotsblokachtige hoofd met de dertien onderkinnen bungelde een meterslange baard met stukjes kaas erin. Hij legde zijn handen, zo groot als mijn schoenen, op tafel en brulde: ‘Ik hoor van Nel, ik ken jou help. Geef mij tien wieskie en ik ga jou help zoetwatersnotneus.’ Ik vroeg hem niets want dat kon ik niet meer. Hij gebaarde Nel. Zij bracht een glas, het was een bierpul vol wieskie. Ongelofelijk, een doorsnee mens zou je na het nuttigen kunnen opereren, hij zou niets merken. Hoe dan ook, hij leegde het glas in ene keer achterover en legde zijn arendsklauw op mijn zere knie. Hij kneep en hij kneep. Het bloed stolde in mijn lijf, zo’n verschrikkulukke pijn deed het. Nu zag ik in mijn tollende heelal ook nog onbekende planeten waarop het wemelde van het leven. Daarna werd mijn been hot, echt zo schroeiend heet dat ik mijn broek uit wilde trekken, maar dat kon ik niet. ‘Terug in de haven,’ zei hij plechtig, greep naar zijn borst en stortte van zijn stoel. Ik kon niks doen, ik was lam. Mensen raakten in paniek. Twee halfdronken oudere mannen doken boven op hem en begonnen met hun mond op zijn buik te reanimeren, want zij dachten dat reanimatie zo werkte. Toen ging mijn licht uit.
De volgende morgen werd ik wakker met een bouwplaats vol spijkers in mijn hoofd. Ik huppelde naar buiten, braakte een keer of twee in de plantenbakken en toen hoorde ik Nel. Ze stond naast me.
‘Loop je weer lekker?’ vroeg ze. Ik zei: ‘Verrek, helemaal geen pijn meer, nou je het zegt.’
‘Mooi,’ zei ze, ‘ja, jammer van Arie, is dood gebleven gisteravond.’
‘Ach,’ zei ik, ‘gecondoleerd.’
‘Hij was mijn vriend niet, maar hij heb me wel goed geholpen.’
‘Ja.’ Ik wist niet wat ik moest zeggen.
‘Hij had schatrijk kunnen worden met die gouden handjes van hem. Misschien ken jij dat nu ook wel dat magnettizeren.’ Ik keek naar mijn handen. Geen kans. Bleke spaghettisliertjes.
‘En ik krijg nu nog voor tien whisky van je, dat is honderd gulden. Stop je het vandaag nog effen in m’n bus?’
Ze groette een zwangere, Marokkaanse vrouw. ‘Kom je bij me theedrinken schat? Slaat je man je nog steeds? Stuur hem naar mij, ik ram hem voor zijn kont, hoor!’
Ze ging verder met mij: ‘Nou eh, dat is toch niet veel voor een knie waar je verder op kan. Doeg!’ En ze was weg.
Ik huppelde terug over straat als een eenzame astronaut op de maan. Heerlijk was het. Ik begon te rennen. Steeds harder. Raakte verslaafd aan die pijn zoals ik vroeger verslaafd was aan de pijn van de drank. Steeds harder ging ik lopen. Mijn route ging altijd langs die kroeg. Ik begon wedstrijden te winnen. Het werd mijn doel in het leven. Bekers, prijzen, ik sleepte alles binnen. Mager als een graat werd ik en rende mezelf naar het Olympisch stadion in Berlijn waar ik heel in de verte het sluike haar en snor ontwaarde van de dictator. Hij sprak niet met mij, ik ben een zwarte man.
Kijk, daar ligt Arie. En daar ligt Nel. Bijna naast elkaar. Arm gestorven. Ik ga deze bloemetjes bij ze leggen, want de een heeft me van de pijn afgeholpen en de ander van mijn zuipen. Ik betaal ook voor het onderhoud en de steen en zo, want wat kan ik anders voor ze doen?
Ik sta stil op het pad. Het is sinds die avond tachtig jaar geleden. Met mijn handen heb ik heel wat mensen beter gemaakt, heb ik nooit met iemand over gesproken. Kankers, ik heb ze verjaagd.
Ik kijk om me heen over de stille begraafplaats. Het is donker aan het worden. Mist glibbert over de stenen. Er is niemand. Ik sta al een half uur hardop in mezelf te praten. Wat is erger, vriend Elckerlijk: een zere knie of een gekneusde ziel?
Lees meer >> | 214 keer bekeken
-
Roofvogels tegen drones
11 september 2016Het NOS journaal, het journaal voor 75 plus, bericht dat roofvogels tegen drones mogen worden ingezet. Natuurlijk is dat belachelijk, want er zijn wapens bij defensie waar dat zo mee gedaan kan worden. Er bestaan raketten die op 100 km afstand afgevuurd door je brievenbus kunnen. Dus is het een middeleeuwse uitvinding, alsof je een steen uit een katapult op een raket wil richten. En de vogels mogen ook best sneuvelen in de strijd, zegt een politiewoordvoerder, had ie maar geen vogel moeten worden. Vroegtijdige dementie bij de politie en de journaalredactie en de stokoude kijkers knikkebollen en merken niet eens dat er geen kritisch geluid aan is geplakt, zoals het hoort in de journalistiek. Hoor en wederhoor. Nu lijkt het alsof dit bulletin een politiebericht is. Laat die roofvogels maar los gaan op die sneue verslaggevers die met hun microfoon soms nog voor een rechtbank staan, in het donker meestal, als het hele hof allang naar huis is. En domme politie, laat de vogels vrij en zorg dat je meer op straat bent,in plaats van naar de lucht te turen. OMG, die terroristen lachen zich dood. Dit is misschien een wrange woordspeling.
Lees meer >> | 26 keer bekeken
-
Het Fluisterbootje
6 september 2016Het is lang geleden. Ik had een vriendin, hoe ze heette, ik weet het niet meer. Het was een mooie dag en ik wilde wat doen met haar, noem haar maar Sasja. Nooit waren we het eens. Het was een mooie dag om naar buiten te gaan. Ik wilde natuurlijk roeien in de polder en zij wilde het fluisterbootje met de motor, dus kozen we voor de motor. Ach, motor, het was een motortje zoals die op naaimachines zit. Leuk voor een nieuwe tuinbroek, maar op het woeste water is het prutsen. Nadat ze me nog had vervloekt, voor honderd jaar, omdat ik met haar portier de auto van haar buurman zacht had getoucheerd en de stemming in het koetswerk Antarctische vormen had aangenomen kwamen we aan op de plek des onheils. Het was een locus amoenis, dat moet gezegd, een lieflijke plek aan het water, bij zachtgroen glooiend gras, boterbloemen en een warme horecagelegenheid waar de verdoolde zielen van deze wereld kunnen rusten op grazige weiden. Afgemeerd aan een terras vol vrolijk drinkende mensen lag onze SS Titanic van twee meter lang, voor ons klaar. Zij, mijn eigen onweersbui, stapte als eerste aan boord en daardoor helde het schip zodanig dat zij bijna te water raakte. Het terras lachte luidkeels en verlangde naar meer. Ik stapte met een pokergezicht precies in het midden. Nu moest de schuit nog afgemeerd worden. Trossen los. Ik schoof voorzichtig naar voren, op mijn buik, en duwde met mijn rechterhand tegen de wal. Als mijn Frau Untergang rustig gewacht zou hebben was er niets verontrustends gebeurd, maar zij vond het tijd worden de motor te starten. Mijn gewicht drukte de voorkant van het zeeschip omhoog en de schroef rees op uit de diepten van de prutsloot. De roterende delen raakten het oppervlak en een reusachtige, groene fontein spoot omhoog. Het terras veerde op. Drab bedekte het hoofd van mijn kleine kapitein met wie ik nu een diep medelijden begon te voelen. En terwijl het riet ons als een dwangbuis omarmde en vasthield, flitsten de fototoestellen van het publiek. Plotseling zaten we toch op het ruime sop. (Ik ben eerst overboord gesprongen en heb staande in de modderige biotoop woedend het kroos uit de motordelen gerukt).
‘Ik ga nooit meer met jou varen, klungel,’ bevestigde mijn Juliet nog een keer toen we in haar brik zaten. Ik keek en zag dat een kikkervisje zich aan haar staart had geklampt. lk moest ineens vreselijk lachen.
‘Waarom doe je dat?’ riep ze en ze schakelde in een verkeerde versnelling.
‘Ik weet het niet, ik kan het niet helpen,’ zei ik, ’ik moet gewoon lachen.’
Even later slipte de auto van de weg, gleden we van de dijk en ploften we met vier wielen tegelijk op het water. We dreven in de auto, een cabriolet, dus zonder dak, na ast een stel gezellig snaterende eenden. ‘En je wilde nooit meer met me varen Sasja!’ riep ik en spreidde mijn armen naar de prachtige, Hollands blauwe lucht met de laaghangende, donzige wolken.
Lees meer >> | 36 keer bekeken
-
Poepregen
30 augustus 2016Poepregen
De Anloup was een recreatiecentrum aan zee, bestuurd door een aantal kerkjes uit de kop van Noord-Holland. 's Zomers werd het centrum gerund door jongeren om vakantiegangers, jong en oud, een luisterend oor te bieden.
Ik weet nog dat wij met een aantal jonge vrijwilligers van het recreatiecentrum naar het uitzuigen van de beerput stonden te kijken. Een beerput was een voorziening uit vroeger dagen toen nog iedereen op het riool was aangesloten. Daarin werden alle uitwerpselen opgevangen tot dat de put vol was. Zoiets zie je niet elke dag, in onze tijden van moderne riolering.
Lees meer >> | 238 keer bekeken
-
Adres URL blogpagina
27 augustus 2016Lectori Salutem,
Het adres van mijn blogpagina is:
www.sjoerdberk.blogspot.com
Hierop staan veel van mijn verhalen sinds 2008.
met vriendelijke groet,
Sjoerd
Lees meer >> | 23 keer bekeken
-
Nice to meet you
26 augustus 2016Hij stapte zoals elke morgen in de Amsterdamse metro naar een halte in de Bijlmermeer en prutste aan het draadje van zijn telefoon. Hij draaide Mozarts klarinetconcert in A groot. Hij droeg een verwassen spijkerbroek, versleten sneakers en een lichtgeel T-shirt met de tekst: ‘Mozart is in my heart.’ Hij had een lang lijf en smalle ledematen. Daarop een ovaal rond hoofd met blauwgrijze ogen en stroblond, vlassig haar dat niet dagelijks werd gekamd. En daarbij was hij verlegen, bijna mensenschuw. Hij keek nooit iemand aan en het viel hem dan ook totaal niet op dat er een mevrouw voor hem stond die hem aansprak. Ze tikte hem op zijn schouder en toen pas zag hij haar. Ze was niet erg groot, maar wel fors in afmeting. Ze had lang blond haar, dat stijf van de haarlak was en op haar niet zo grote, smalle neus stond een donkere zonnebril. Ze droeg een uniform van de Nederlandse politie en haar lippen waren roze gestift. Ze maakte zo’n verpletterende indruk op hem dat hij het liefst tussen de wielen van het metrostel was gesprongen. ‘Excuse me,’ zei de vrouw en hij meende een accent uit een of andere donkere Londense buurt te bespeuren. ‘Is this the train to the Raiksmuseum?’ ‘No, no,’ antwoordde hij in shock, ’this is the train to Bijlmerarena.’
Lees meer >> | 37 keer bekeken
-
De pannenkoeken
5 augustus 2016Deze week reed ik, vlakbij zee en duinen, langs een verlaten terrein in het noorden van onze provincie. St.Maartenszee. Er groeiden distels en hoog gras en niets herinnerde aan het recreatiecentrum dat er decennia lang stond en waar ik een paar weken vrijwilliger was. Ik moest denken aan een gebeurtenis op een zomerse avond.
Steijn heette hij, geloof ik. Een blond jongetje van een jaar of zeven. Hij kwam bij ons in het recreatiekamp, waar ik vrijwilliger was, een dagje spelen met zijn vriendjes. Daar was alle ruimte voor: naast een groot houten gebouw, een groot grasveld met een volleybalveld, en allerlei jongeren om hem te vermaken terwijl zijn ouders aan het strand lagen. Uiteindelijk werd dit kinderfeest afgesloten met een pannenkoekenevenement. Des avonds zaten er zeker 15 uitgehongerde wolfjes aan de lange tafel, geschminkt en al. Er waren elfjes bij en clowns en pipo’s, maar Steijn was helemaal wit, als een spook.
Ondertussen ging het in de keuken zoals ik gevreesd had: niemand van ons had ooit een pannenkoek gebakken, dus, ja, eh, hoeveel melk gaat er in zo’n ding? Er was verwarring en discussie. Iemand wilde zijn moeder gaan bellen, maar dat had hij bij het koken van de bietjes al eerder gedaan. De keuken was volkomen verdwenen onder de rode sappen, het leek of er iemand vermoord was. Ik besloot me er niet verder mee te bemoeien en toen er maar niets op tafel wilde komen, rook ik een zekere brandlucht. Er volgde een diepe vloek. Ik wist dat mijn ergste vermoedens uit gingen komen. Net voordat de carnavaleske jeugd de revolutie tegen het restaurant zou gaan uitvoeren, kwamen de zongebruinde koeken naar binnen. Ze waren lekker krokant, om het zo maar eens uit te drukken. Gelukkig waren er geen ouders om ons een proces aan te doen. Tegen mijn verwachtingen in at de kinderschaar als een bak piranha’s van de knapperige, tandenbrekende stapel. Ze huppelden daarna vrolijk over het grasveld, maakten koprollen, handstanden en leken geen ingewandenprobleem te hebben. Voor de poort kwamen de ontspannen ouders aanrijden. Een voor een verdwenen de mannetjes en vrouwtjes in de voertuigen. Maar Steijns ouder kwam nog niet. Hij moest wachten en wilde nog even met het paard Boris gaan fluisteren. Die stond aan de andere kant van het hek. Een groot, nerveus, zwart paard was het dat, soms vervaarlijk snoof uit beide neusgaten. Ik draaide me om, hoorde Steijn praten tegen het dier, het dier snuiven en toen was er die smak. Een doffe klap alsof iemand een hamer in de grond sloeg. Daar lag Steijntje. Van het hek gevallen. Hij trappelde met zijn beentjes en hij schreeuwde het uit. Ik probeerde hem te troosten. Er kwamen snel andere vrijwilligers te hulp. Zijn onderarmpje stond raar, er zat een verdachte hoek van 20 of 30 graden in. “Ik ben bang dat we naar een dokter moeten,’zei ik sip, ‘zijn arm dat is niet goed, dat is niet goed.’ Even later zat ik in de auto van Steijns vader, die niet veel zei. We gleden door het groene, vlakke land, langs de nieuwe windmolens van de nieuwe tijd, draaiend aan het kaarsrechte kanaal. Steijn snikte hartverscheurend, de rit duurde ongeveer 20 minuten. Ik voelde me bezwaard en schuldig, ik had beter op moeten letten. Het was allemaal heel snel gegaan.
De dokter, een man met een smal gezicht en diepliggende donkere ogen, keek niet gelukkig toen hij na het onderzoeken terugkwam. ‘Steijn moet even slapen,’ zei hij, ‘ we kunnen het alleen onder verdoving goed zetten.’
De dag liep helemaal verkeerd, allemaal mijn schuld. En nu ook nog de narcose. De vader tilde het magere kereltje op en ik zag de lange tranenstrepen die door de witte schminklaag waren gezakt. Ik zwaaide nog een keer naar hem en hoorde hem tegen de nuchtere zuster zeggen: ‘En de pannenkoek was ook niet lekker!’
Ze verdwenen door de klapdeuren en onder mijn voeten ging de grond open.
Lees meer >> | 27 keer bekeken
-
Rocky
5 juli 2016Ze zegt, met haar mooie zachte ‘g’, ze moest naar een feestje. Ze is een jonge vrouw, ze werkt hard op een school, dus ze had er zin in. Ze zwiept met haar staart en ze lacht breed. Ze lacht altijd wel breed als ik met haar spreek. ‘Ok’, zegt ze, ‘ik zou naar dat feestje, een familiefeest, mijn moeder werd 60. Een leuke moeder heb ik, wel heel punctueel en een lichte controlfreak. Dus ik zou naar haar feest. Ik was alleen in mijn studentenhuis, de anderen waren al op jacht in de stad. Dus snel gedekte kleren aan, niet te veel seks, daar houdt mijn moeder niet van. Een stickje over mijn lippen, lichtroze en mijn blonde haar borstelen. En dan nog snel naar de wc, want ik moet nog een half uur in de auto. Ik huppel door de gang, een lange, smalle gang waarin het soms kan tochten. Hup, het toilet in en plassen.’ Ze stopte even en frummelde aan haar haar. ‘Maar weet je’, zegt ze, ‘er hangt een schilderij in de gang, een portret waarop mijn opa staat. Ik was gek op hem en ik heb hem zelf in die gang opgehangen. En ik sta in de wc, ik ben half aangekleed en plots hoor ik een zachte bonk, alsof er iemand op de deur klopt. Maar ik weet het al snel beter: het is het schilderij van opa. Door de tocht is het van de haak gevallen en tegen de deur aangekomen. Ik duw voorzichtig tegen die deur, maar wat ik ook probeer: de deur is geblokkeerd. Het kunstwerk is vastgeklemd tussen de deur en de muur. En houdt me gevangen. Er is wel een kleine kier waar ik mijn vinger doorheen kan steken, maar die is niet groot genoeg om een stevige duw te kunnen geven. Ik zocht naar mijn telefoon,’ zegt ze. ‘Maar je raadt het al: in mijn jaszak, in de jas aan de kapstok. Ik ging op de bril zitten om na te denken, maar kon niks bedenken. Geen gsm, geen mensen in huis, wat een toestand. Ik zou misschien wel het hele weekend op de pot moeten zitten. Mijn moeder hoorde ik al klagen en plagen: ‘Echt iets voor Marjan, o ja, echt iets voor Marjan en natuurlijk precies op mijn feestje.’ Misschien zou ze wel de politie gaan bellen, o god, ze zakte bijna door de pot van schaamte. Maar plotseling hoorde ze een zacht geluid. Miauwen. Ze herkende het direct: Rocky, haar eigen forse Noorse boskat. Een joekel van een beest. Maar zo lief. Ze kirde tegen hem. ‘Rocky,’ smierde ze, ‘ Rocky, kom je me helpen?’ Ze stak een wijsvinger door de spleet onder de deur en voelde dat zijn warme neus haar besnuffelde. Hij kroop onder het schilderij, dat wist ze bijna zeker. Ze hoorde hem een lekker plekje zoeken. Ineens kreeg ze een idee, het was een beetje vals, maar het gaf haar hoop. ‘Rocky,’ riep ze, ‘Rocky, ...blikkie!’ Rocky reageerde direct vol enthousiasme. Vlees! Altijd die brokjes. Vlees, echt vlees! Het lukte hem nooit een muis te vangen. Hij richtte zich op en maakte een vreugdesprong. Het schilderij dat boven hem zat, gleed zachtjes opzij. Zijn baas klapte van blijdschap in haar handen. ‘Rocky, mijn held!’ juichte ze terwijl ze de deur weer op een ruimere kier wist te krijgen. Met een zucht duwde ze haar slanke lijf door het gat. Ze pakte haar vriend die wegrende naar de keuken. Hij eiste zijn honorarium. Ze viste een blikje onder het aanrecht vandaan en schepte een schoteltje vol. Teveel wist ze. Ze hing het schilderij terug, trok haar jas aan en gaf Rocky nog een aai. Hij was klaar met schrokken en keek haar verlangend aan. ‘Morgen,’ zei ze. ‘Morgen krijg je meer’. Ze stapte in haar autootje en het eerste wat ze zag op het feest was haar liefhebbende moeder die op haar uurwerk tikte.
Zij lachte. ‘ Opa wilde niet dat ik ging,’ smilede ze mysterieus.
‘Opa?’ haar moeder snerpte. ‘Die is al jaren dood. Wat bezielt jou toch de laatste tijd, ben je verliefd?’
‘Ja,’ zei ze dromerig, hij heet Rocky.’
Lees meer >> | 72 keer bekeken