• Zal ik morgen wakker worden (de laatste beving)

    15 februari 2022

    Een oude man uit Groningen denkt aan zijn verleden en met zorg aan het heden. Hij schrijft: 

    Ik sluit het raam, dat raam met een kruis

    voor langverdroogde planten

    en doe het licht uit

     

    mijn wollen sokken

    hangen misdadig stinkend op een stoel

     

    naast mijn kapiteinspet

    en mijn broek vol zand en olie

     

    Ameland uit de tedere toren

    verlichtlichtverlicht een vissersschip

     

    in dit smalle bed ben ik geboren

    jij bent er nooit meer teruggeweest

     

    mooistemissnelly van Nieuweschans

    de zeewaddenwind rimmelt aan de stoffige ruitjes

     

    het roestige hek kraakt

    en water lekt in de zinken emmers

    Lees meer >> | 34 keer bekeken

  • De haas en het konijn

    1 november 2020

    De haas en het konijn

     

    De haas en het konijn zaten gezellig aan een kopje thee in het open veld bij een oude eik.

    ‘Lekker rustig,’ zei de haas.

    ‘Ik vraag me af of het verstandig is hier te blijven zitten, ‘ zei het konijn.

    ‘Lekker groot land, kun je lekker in rennen.’

    ‘Want er komen donkere wolken aan.’

    ‘Nou en? vroeg de haas.

    ‘Daar kan onweer uit komen. Komt vaak genoeg voor als het weer afkoelt na een warme dag als vandaag.’

    ‘Ja, het was lekker hot man, supersupersuper……..’

    ‘Ik vond het puffen.’

    ‘Jij denkt teveel man. Laten we een wedstrijdje doen, wie het hardst kan rennen.’

    ‘Niet zo’n zin an.’

    “Dan ren ik lekker zelf!’

    De haas rende weg naar de horizon en weer snel terug. Hagelkorrels vlogen over zijn lange oren.

    ‘Lachen man, ze schieten op me,’ grijnsde hij.

    Het was inmiddels donkerder en donkerder en donkerder geworden.

    De bliksem sloeg oorverdovend met duizenden volts in de eeuwenoude eik, die

    In twee stukken werd gespleten. Er kwam rook uit en de stam werd zwart en smeulde na.  

    De haas juichte bij het aanschouwen van het natuurverschijnsel. Wow! Superpower! Hij trappelde met zijn achterpoten en flapperde met zijn dikke staart.

    Konijn lag naast hem. Getroffen als de eik, door dezelfde bliksem.

    ‘Zie je nou wel?’ riep de haas. ‘Je moet rennen, dan blijf je bewegen!’

    Hij rende weer door de velden en rende terug naar de eik. Hij hoopte dat zijn enige vriend daar weer zou gaan mopperen.

    Maar bij die vriend zaten een vos en een gier en ze maakten ruzie over wie hem mocht opeten.

    Ze trokken ieder aan een deel van het arme beest en dreigden hem te

    verscheuren.

    Nogmaals sloeg de bliksem toe. Een daverende knal galmde over het lage land.

    De gier liet los, van schrik, en vloog weg. De vos werd geraakt in zijn staart. Het

    dier liet ook los en verdween krijsend van het veld.

    De haas zat alleen bij het getroffen lichaam van zijn vriend. ‘Nu ben ik alleen,

    oude mopperkont en mis ik je.’

    De vrouw van de haas kwam bij hem en ging naast hem zitten. ‘We moeten je vriend begraven,’ zei ze.

    En dat deden ze. Ze groeven een diep gat en legden hem erin.

    Ze spitten aarde over hem heen, tot ze hem niet meer zagen. “We gaan hier weg, voorgoed,’ zeiden ze en ze verdwenen voorgoed.

    Onder de aarde werd het konijn wakker. De bliksem had zijn brein verdoofd,

    maar zijn hart laten kloppen. Hij schudde de aarde van zich af en keek om zich

    heen. De haas was nergens. De eik was in stukjes. Waar is iedereen? Vroeg hij

    zich angstig af. In de boom zat een vale gier. ‘Goedemorgen,’ zei het konijn.

    ‘Weet u misschien waar mijnheer de haas is?’

    Lees meer >> | 54 keer bekeken

  • Meer van mijn verhalen op: www.sjoerdberk.blogspot.com

    18 oktober 2020

    Meer van mijn verhalen vind je op: www.sjoerdberk.blogspot.com

    Veel plezier!

    Lees meer >> | 41 keer bekeken

  • Rogbewoner Oceanium dient klacht in

    18 oktober 2020

    Het mooiste aan diergaarde Blijdorp Rotterdam is het Oceanium, een aquarium van ongekende afmetingen. De vissen, schildpadden en haaien  zwemmen naast je, met je mee, en boven je hoofd. Je wordt er zowat duizelig van.Maar deze tunnel van water is een ervaring om nooit te vergeten. Tenzij je gaat diepzeeduiken, dan wen je eraan, zoals alles op den duur gewoon wordt.
    Een rog, een platte, driehoekige vis met een venijnige angel, bleef boven me hangen en opende zijn mond. Het was alsof het beest iets zeggen wilde. Dat was natuurlijk onzin. Een rog en ik hebben elkaar niet veel te zeggen. Wel vinden we elkaar heel vreemd: ik hem met zijn bluppende bek en zwiepende staart en hij mij met die neus, die bril erop, die achterlijke regenboogkleurenpet, die blanke benen in dat krappe korte broekje, en dan dat fototoestel op die welvarende buik.
    ‘Je kan niet zwemmen, stuk zeewier,’ lacht hij tandeloos. ‘Dat kan ik wel monster,’ playback ik terug, ‘ik heb een A en een B-diploma, stomme rog.’
    We kijken elkaar aan,‘Nee hoor, grapje,’ liplees ik, ‘ik vind je best aardig. Hoe vind  je mij?’Ik maak een foto van hem, met behulp van flitslicht. Hij zwemt verblind weg om zijn beklag hierover te gaan doen bij de directie van Blijdorp.  Want ook dierentuinbewoners gaan mee in de emancipatie van verdrukte minderheden. Maar hoe kan ik nou weten dat zulke wezens ogen hebben? Heb je toch niks aan in het donker?

    Lees meer >> | 66 keer bekeken

  • Zo had het kunnen zijn, als Johan tenminste niet zo stom was geweest.

    18 oktober 2020

    We hadden kampioen kunnen zijn, kampioen van de 25e klasse der voetbalamateurs van Nederland. Maar het is niet gebeurd. Het is anders gelopen. Dat is de schuld van Johan, onze regelneef. Johan regelt alles voor ons team, maar de laatste tijd gaat het niet zo goed met Johan. Laatst had hij de kleding van het dameselftal bij zich. Hij begint kinderachtige grappen te maken. Tijdens de voorlaatste wedstrijd liep hij zomaar het veld op en zei tegen de scheidsrechter: ‘Weet jij waarom een Engelsman zijn paraplu wegdoet als hij een Duitser tegenkomt? Omdat die Duitser telt: eins, zwei, drei..’ Nou, van dat soort grappen. Voetbalhumor is best flauw, maar dit.

    Lees meer >> | 47 keer bekeken

  • Bedenk een luxeprobleem waar je eens iemand over hebt horen klagen. Schrijf nu een recht voor zijn raap adviescolumn aan degene met dat probleem

    14 september 2020

     


     

    Beste Julia,

    Jij hebt een probleem, zeg je. Je klaagt er de hele dag over op ons advocatenkantoor. Ik word er groen en geel van, van jouw probleem. Het is namelijk geen probleem, het is een luxeprobleem, dus geen echt probleem. Het is misschien een probleem voor jou, maar niet voor mij, niet voor de collegae en de rest van de juridische wereld.

    Jouw probleem is het volgende: welke tas zal ik volgende week meenemen op mijn vakantie naar Ibiza? Zal ik mijn rode tas op wieltjes meenemen of mijn roze weekendtas met het opschrift: ‘I love lesbian.’ Je bent niet eens lesbisch. Jouw probleem is dat jij aandacht wil, Julia, want niemand van onze afdeling wil weten dat jouw rode tas op wieltjes zo handig is op het vliegveld om mee naar de incheck te rollen. Weet jij wel hoeveel tenen jij daarmee beschadigt, Julia?

     

    En besef jij wel dat zo’n wieltje af kan breken? Julia, onder ons: jij hebt geen 30 liter koffer nodig en geen 30 liter tas. Ik reken je voor wat je nodig hebt: een miniscuul bikini’tje, een pakje condomen, je aansteker, een toilettas met je tandenborstel en pasta en meer niet. Je haarborstel laat je thuis. Krijg je zo’n lekkere wilde Ibiza haardos van.

    En doe deze spullen in een Dirk van den Broek tas. Morgen ga ik deze brief hardop voorlezen als jij weer over je tassenprobleem begint. Zo hard mogelijk, want jij hebt recht op de waarheid.

     

    Je collega Bianca

    Nb: stop met kijken naar Patrick, want hij is van mij (al weet hij dat nog niet) 

     

    Uit: 333 dingen om over te schrijven  

    Lees meer >> | 40 keer bekeken

  • Ze heeft het dagboek gesloten

    10 september 2020

    Ze heeft het dagboek gesloten. Er zit een mooi slot op het roze boekje. Maar tevreden is ze niet, want ze wil stoppen met haar gezwijmel over Patrick. Want Patrick ziet haar helemaal niet staan. Als hij voorbij loopt, wil hij nog net naar haar zwaaien, maar meer niet. Ze begrijpt niet wat ze in het joch ziet. Een lange, dunne jongen met een schaterlach, rood haar en groene ogen.

    Maar toch, ze houdt van hem. Ze is 10 jaar en ze heeft al een heel dagboek over hem geschreven. Ze heeft heel wat tranen gehuild in haar kussen dat hij haar niet leuk vindt, maar ze weet nu zeker dat ze geen verkering gaan krijgen. Ze zullen nooit samen zijn en stiekem zoenen in de duintjes.

    En daarom moet het dagboek weg, vandaag nog. En hij moet uit haar hoofd, de ellendeling. Weg met Patrick. Weg met jongens die alleen naar zichzelf kijken en niet naar haar. Is zij soms niet knap genoeg?

    Ze zal hem krijgen. Maar eerst moet het boekje weg. Verscheuren is te lastig en het zou mama misschien op kunnen vallen in de prullenbak. Verbranden dan? Dat zou kunnen, maar dan buiten. Dan zou ze vies kunnen worden en ook vragen krijgen.

    Er is een betere oplossing: de bunker in het duin. Een prima ding voor alles waar je meteen van af wil. Jammer dat Patrick er niet in past.

    Ze loopt de flat uit en loopt naar buiten.  ‘Hallo Monica,’ hoort ze achter haar. Het is de buurman, die aardige man die weleens een pepermuntje geeft. Ze weet wel dat mama zegt dat ze geen snoepjes van vreemde mannen mag aannemen, maar van deze man durft ze het wel. Ze vindt het wel jammer dat hij altijd ’s avonds zijn toonladders gaat oefenen, zodat ze TOPPOP harder moet zetten. De man houdt heel erg van zingen. Dat kun je hem niet kwalijk nemen.

    ‘Wat kijk je verdrietig,’ zegt hij. ‘Is er iets gebeurd?’

    Monica schudt haar blonde hoofd. ‘Nee hoor,’ zucht ze. ‘Er is niks.’ En ze denkt aan haar liefdesverdriet. Hebben andere kinderen dat ook weleens? vraagt ze zich af. Ben ik normaal? ‘Nou dag hoor,’zegt de man. ‘Doe je de groeten aan je moeder?’ Ze knikt. Dat vraagt hij altijd. Volgens mij is hij verliefd op mijn moeder, denkt ze.

    Ze rent door de duinen vol met zijn kromgebogen eikjes naar de bunker, een betonnen ding onder het zand. Het ligt vlak achter de school, verscholen onder een heuvel. Het is gemaakt door de Duitsers uit de laatste oorlog. Zij verschuilden zich daar in. Tegen bommen, denkt ze. Maar het gat aan de bovenkant is open. Er kan een man doorheen. Aan de binnenkant ziet ze een stalen ladder, die naar beneden loopt. Snel dat boekje erin. Het duurt lang eer ze de klap hoort, zo diep is het. Ze hoort iemand roepen: ‘Hee!’ Het zal toch geen verdwaalde Duitser zijn? Snel klopt ze het zand van haar kleren en rent weg. 

    Op het schoolplein is haar vriendin Erica misschien. Ze loopt er naar toe. De school ligt omgeven door de duinen, te bakken in de zon.

    Ze ziet Erica niet. Wel Jonas, een jongen die bij haar in de flat woont, maar dan een verdieping lager. ‘’Hallo Monica,’ zegt hij grijnzend en hij toont een roze boekje. Haar mond valt open voor ze gedag kan zeggen. Het is haar boekje,  haar dagboek vol met alles over Patrick!

    ‘Ik heb wat gevonden van je in de bunker,’ grijnst Jonas. ‘Leuk hoor al die tekeningen over Patrick.’ Hij laat een pagina zien met een groot rood hart met een pijl erin.

    Monica voelt de grond onder haar wegzakken. Jonas heeft het boek met al haar geheimen in handen. De rotzak, de gemene rotzak. De schoft, de ellendeling. Hij zat verstopt in de bunker.

     Ze rent op hem af. Hij houdt het boekje in de lucht. ‘Pak hem dan!’ roept hij plagerig en hij rent weg.

    Het wordt nog erger. Hij roept: ‘Ik ga alles aan hem vertellen, alles, alles!’

    ‘Nee,’ roept ze, ‘dat doe je niet!’

    En toen kwam ik op het schoolplein. Monica was mijn buurmeisje. Ik vond haar leuk en sportief. Als zij zich verveelde tijdens haar huiswerk maken, begon ze klopgeluiden te maken. Ik klopte dan terug.

    ‘Geef mijn boekje terug!’ riep ze.

    Jonas had niet in de gaten dat ik achter hem stond. Ik begreep wat er was gebeurd en het was vrij eenvoudig het boekje uit zijn kolenschoppen te grissen. Ik wierp het naar Monica. Daarna was het minder eenvoudig: Jonas kreeg mij bij mijn bloemige t-shirt te pakken en gooide me op de grond. Daarna ging hij bovenop me zitten en sloeg op mijn neus. Hij had me zeker vermoord als er niet een oude meester naar buiten was gekomen.

    ‘Hee, laat dat!’ riep hij. ‘Ophouden!’ Jonas liet snel los en ging er van door. Ik voelde aan mijn neus. Hij zat er nog aan. Maar het bloedde.

    We gingen naar huis. Mijn moeder schrok een beetje en waste mijn gezicht. Daarna keek ze naar het boekje. ‘Wat er is met je poezieboekje gebeurd?’ vroeg ze. ‘Ik maak het wel even schoon.’

    ‘Maar u mag er niet in kijken,’ zei Monica.

    ‘Beloof ik,’ zei mijn ma. Ze ging naar de keuken.

    ‘Wat staat daar in?’ vroeg ik, toen we in mijn kamertje stonden.

    ‘O,’ zei Monica. ‘Van alles over Patrick.’

    ‘Patrick?’ Ik kende hem niet.

    ‘Ja,’ zuchtte ze verdrietig. Ik zag een traan.

    Ik pakte mijn roodbruine cavia uit zijn kooitje en gaf hem haar. Ze

    aaide hem.

    ‘Weet je,’ zei ik. ‘Ik heb ook zoiets. Een meisje uit mijn klas. Ze heet

    Bregje.’ De cavia begon te knorren.

    ‘Ze kwam bij ons in de klas vorig jaar en ze viel me niet op. Maar toen

    merkte ik dat ze vaak bij me stond, dichtbij. Als we speelden.’

    Monica knikte.

    ‘En een keertje stond ik per ongeluk dichtbij haar. Ze zette haar

    fietsje in het fietsenhok. Ze keek me aan en lachte en toen..’

    Monica stond op. ‘Het gaat regenen,’ zei ze.

    ‘Toen keek ik van heel dichtbij in haar ogen.’

    Monica zette de cavia terug. ‘En toen?’

    ‘Toen zweefde ik door het fietsenhok. Het was heel vreemd. Haar

    ogen waren de mooiste die ik ooit gezien heb. Kristalblauw. Zo prachtig.’

    Lees meer >> | 41 keer bekeken

  • De strijkplank, 3 mei 2017

    5 september 2020

    Gisteren werd ik wakker als een strijkplank. Mijn achterkant had de souplesse van een bakstenen muurtje. Misschien kwam het door de hulp die ik bood bij een verhuizing. Vooral het verplaatsen van de metersdikke tafelpoten zal ik mij herinneren. 


    In bad dacht ik te midden van het schuim aan de medemens van wie het lichaam niet meer werkt. Ik heb een tante met een neus die niet meer wil ruiken en ik ken een man die zich verplaatst op een hightech metalen been.  Lastig leven.  


    Ook, onzichtbaar, zijn er velen om me heen van wie de darmen niet meer werken en die hun halve leven op de pot slijten. Er zijn mannen waarvan de fluitketel niet meer werkt. Ook lastig. Verder zijn er mensen die met het hart van iemand anders rondlopen. 


    In een boek over het  fenomeen van de harttransplantatie las ik dat je daarmee het karakter van de vorige drager overneemt.  Dus was je voorheen een kalme bejaarde dan kun je nu een verjongde, opstandige radicaal zijn. Je kunt ook plotseling heel ontrouw worden, omdat je het hart van een womanizer hebt gekregen. Lastig. 


    Veel mensen hebben wel een onderdeel aan hun lijf dat niet meewerkt. Je moet ermee leren leven, zeggen ze. Dat is gemakkelijk praten. Ik zag onlangs een man op straat liggen. Hij laat zijn invalidekarretje trekken door zijn hond, maar het beest had een poesje geroken en was er vandoor gegaan. Met het karretje er nog aan vast. Zeg niet te gemakkelijk dat je er maar mee moet leren leven. De arme man lag naast de kar te kermen.


    Ik heb deze dag afgezien en het stelde nog helemaal niets voor. Geen pijn, ik kon alleen niet bij mijn schoenveters. Hoe is je leven als je de hele dag pijn hebt? Ik heb vandaag geen stem, wat ik ook wil zeggen, er komt geen geluid. Het is rustig. Ik klaag niet. Wie nog strijken moet, mag me komen lenen. 

    Lees meer >> | 52 keer bekeken

  • Onsterfelijk

    29 augustus 2020

    Gene reed weer eens met teveel drank achter zijn kiezen door de eindeloze hoogvlaktes van Colorado. Het was een koude nacht en dat maakte het ook niet gezelliger in zijn oude, donkerrode Dodge Charger 500.

    Naast hem op de bijrijdersplaats lag Larry met zijn hoofd achterover en zijn mond wijd open, The Star- Spangled Banner te snurken. Af en toe werden zij door een truckdriver ingehaald. Dan gleed even wat licht over het doffe gezicht van Gene, de artiest die maar niet wilde slagen op het podium.

    Ook vanavond was het in Villegreen, in het Parc Theatre, weer een brute ellende geworden, omdat zij de toon niet konden vinden voor een publiek van veteranenvechters dat misschien liever naar blonde, vals zingende meisjes was komen kijken. In de pauze van de act hadden zij dan ook veel te veel gedronken en in het tweede deel waren zij na drie nummers met elkaar op de vuist gegaan. Larry had daarnaast ook nog eens: ‘Stomme boeren, ik fuck liever met jullie koeien, dan met jullie wijven!’ geroepen en toen waren de luisteraars het podium opgeklommen en werden de gitaren gevierendeeld. Ook het gordijn werd van de wand gerukt. Het werd net zo’n bende als in de Amerikaanse vrijheidsoorlog en de sheriff moest er aan te pas komen. Op voorwaarde dat zij nooit meer terugkwamen, mochten zij het dorp verlaten.

    Nu  gromde hun wagen over highway 287, naar Denver, waar zij hoopten hun roes uit te kunnen slapen. Gene wilde rust aan zijn kop. Hij had een appje gekregen van Nancy dat zij het uitmaakte, omdat hij alweer zijn belofte niet na was gekomen. Die belofte hield in dat hij met haar naar een huis in de staat New York zou gaan kijken en een fatsoenlijke baan zou gaan zoeken. Dat waren dus twee beloftes in plaats van één.

     

     

    De radio speelde het nummer cocaine blues van Johnny Cash. In de verte waren de donkere schaduwen van de Rocky Mountains te zien. De weg was eenzaam, donker en gevaarlijk door het saaie karakter. Gene was ervan overtuigd dat hij en Larry met hun laatste opnames een absoluut prachtig album hadden geproduceerd, - de kenners waren daar ook van overtuigd-, maar hun karakters waren zo grillig en zo koppig. Kon het leven toch gemakkelijker zijn. Kon hij maar toegeeflijker zijn en de drank laten staan. Vooral dat laatste. En dan Larry, die bij vlagen briljante musicus, die verleden week nog met zijn Ford dwars door het tuinhek van de buren was gereden.

    Toen hij zo in gedachten verzonken over de weg reed, werd hij plotseling ingehaald door een misdadig hard rijdende auto, die slipte, tegen een boom reed en in de brand vloog. Waarschijnlijk was het een Pontiac GTO. Gene remde uit alle macht en wist de auto veilig aan de rechterkant van de weg tot stilstand te brengen. Zelfs Larry werd wakker.

    Hij pakte een verouderd blusapparaat uit de achterbak en probeerde de verongelukte Pontiac te blussen. Daarin slaagde hij redelijk, hoewel hij zoiets nog nooit gedaan had. Het vuur doofde en Larry riep: ‘Er zit een man in, haal hem eruit!’ Gene deed het linker portier open en trok de vent eruit. In de rest van de auto zaten geen mensen meer. Larry wees hem op de lichamen die naast de wagen lagen. Hij bekeek ze en constateerde dat ze verkoold en dood waren. ‘Ze leven niet meer Larry,’ zei hij teleurgesteld.

    ‘En wat nu Gene?’ vroeg Larry. ‘De politie bellen?’

    Gene dacht even na. ‘Dan denken ze dat wij het hebben gedaan,’ zei hij somber. Larry knikte stom. Wat was Gene toch een intelligent man. En ze hadden ook nog stevig gedronken, dat maakte hun zaak er niet beter op. Ze besloten de enige overlevende in hun Dodge te hijsen en hem ergens achter te laten. Man, wat was die kerel zwaar en behaard. Het leek wel een aap. Maar ze waren te dronken en te aangeslagen om er goed over na te denken.

    Zo reden ze door de nacht, al piekerend en pratend wat ze nu moesten doen. Gene wilde de vent bij zijn moeder onderbrengen.

    Hij parkeerde de auto voor het huis van mama, waar hij tijdelijk weer was gaan wonen en keek naar het slachtoffer op de achterbank.

    Zijn ogen en die van Larry werden groot als schoteltjes, want op de bank lag iets te slapen. Het was harig, het was groot, maar het was beslist geen mens: het was een aap, een reusachtige aap. ‘Het lijkt wel een aap,’ slikte Larry. ‘Sukkel,’ siste Gene. ‘Het is een aap.’  De aap leek niet veel zin te hebben in wakker worden.

    ‘Wat doen we nu Gene?’ beefde Larry. ‘Ik denk dat het een gorilla is. Het beest gaat ons vermoorden.’

    Larry pakte zijn Winchester rifle 22, om op het dier te schieten, maar het schot dat hij loste, ging wel door de auto, maar miste de aap. Het dier werd reusachtig boos en angstig en ging achter Larry aan. Hij pakte hem beet en smeet hem tegen de aanpandige garagedeur. Larry bleef roerloos liggen. Gene wist zeker dat hij morsdood was. En dat als hij niet weg zou rennen, hij het volgende slachtoffer zou worden. Daarom rende hij weg, maar hij hoorde het beest achter hem aankomen en daarom liet hij zich dood neer vallen. Dat hielp, de aap snuffelde aan hem en trok hem bij zich. De aap begon hem te strelen. ‘Good guy,’ zei Gene en hij probeerde vriendschap te sluiten. ‘Kom mee,’ zei hij. Hij liep naar de auto en de aap liep gedwee mee. Stapte zelf in de wagen, alsof hij dat zag als zijn nest, als een schuilplaats.

    Gene reed met hem weg en bedacht dat hij misschien in een zoo thuishoorde. Hij reed naar de dichtstbijzijnde stad en volgde de borden: Denver zoo. Maar bij een kruispunt werd hij aangehouden door een motoragent. De man scheen in de auto en keek wantrouwig. ‘Wat doet u hier in the middle of the night met een aap in uw auto?’

    ‘Wij zijn artiesten sir,’ verzon Gene. ‘Die werken altijd ’s avonds en ’s nachts. Het zijn echte nightbirds. Ook Elvis, een goede kennis van me, zag je nooit voor elven ’s morgens.’ Gelukkig was de man een fan van Elvis. ‘Maar wie is hij dan?’ Hij wees op de aap. ‘’Dat is Larry, we hebben een act met een aap. Ik bedoel: Larry is verkleed als aap. In het nummer danst hij.’

    De agent vertrouwde het nog steeds niet en hees zich naar binnen. Hij stompte de aap hard op de ribben met de achterkant van zijn pistool. De aap legde zijn enorme armen om hem heen en knuffelde hem dood. Letterlijk. Gene trok de dode agent uit de auto en legde hem naast de motorfiets. Dat was dode nummer twee. Hij wist niet meer wat te doen. Het dier vermoordde de halve provincie. Hij moest hem dumpen bij de zoo, al wist hij niet hoe hem uit de auto moest krijgen. Hij ging linksaf. De aap sliep verder. Daar zag hij in de verte de dierentuin.

    Maar eerst werd hij klemgereden door een bende van vier mannen met machinepistolen. Gene draaide het raampje open.

    ‘Waar is de shit?’ hijgde de oudste van het stel. ‘Maak de kofferbak open.’ Daarin lagen alleen gesloopte gitaren. De mannen braken de gitaren open. Er zat geen stuff in. Ze zeiden dat ze Gene dood zouden gaan maken. Gene zei dat hij de shit verstopt had bij de zoo. Ze geloofden hem niet. Reden achter hem aan. Bij de zoo stapte hij uit. Daar was de politie aan het zoeken naar een ontsnapte aap. De criminelen schoten het eerst op de agenten. Het werd een vuurgevecht. Hij reed hard achteruit en smeerde hem. Met de aap achterin. Het dier was doodsbang en deed zijn armen voor zijn ogen.

    Zo  scheurde hij over de hoogvlaktes van Colorado. Voortdurend keek hij in zijn spiegel. Hij maakte veel omwegen. Ging wegen in die hij nog nooit genomen had. Uiteindelijk stopte hij bij zijn moeder. Kensingtonroad 44. Hij hoorde niets achter zich. Msschien was hij veilig.

    Mama kwam op hem af. ‘Er was een motoragent hier,’ zei ze, ‘die zei dat jij een verklede man in de auto had. Dat zou Larry zijn, maar dat kan niet, want die zit nu bij me aan de thee. Hij is heel erg geschrokken. Gene gaat het wel goed met je? En wie is die man in de auto?’ ‘Dat is een aap, mama,’ zei hij.

    ‘Gene, je gaat naar binnen en je gaat je schamen.’ Hij was moe van het fucking gedoe en wilde slapen. Hij liet de aap achter in de auto.

    Die nacht sloop hij het huis uit. Hij was bang dat zijn moeder het zou horen. Larry lag weer hard te snurken op de bank in de voorkamer. Hij liep op de koelkast af en haalde er tomaten,een struik selderij en een biefstuk uit. Zou een aap dat lusten? Het beest moest toch wel honger hebben. Voorzichtig liep hij op de auto af en keek naar de aap. Die keek naar hem. Hij was vriendelijk. Het dier stak zijn enorme poot uit en streelde Gene’s hand. Gene voelde zich warm worden door zijn geste. Hij pakte de tomaten, de selderij en de biefstuk en legde ze voor het dier neer. De gorilla pakte alleen de selderij en begon uitgebreid te knagen.

    ‘En nu dan?’ vroeg Gene hardop. ‘Wat moet ik nu doen? Ik wil niet dat ze je doodschieten. Je moet toch ergens vandaan komen en bij iemand horen.’ De aap keek hem aan, het leek wel of hij huilde. Hij knorde zachtjes. ‘Dus, wat moet ik met je?’        

    Hij stapte in en reed weg. Misschien kwam hij zo op een idee. Hij reed kilometers en kilometers door. Het werd ochtend. Hij kwam in een klein dorpje, Wascontin,  en kocht bij een vroege groentenboer een kilo selderij.

     

    Hij reed verder. Stopte in de woestijn. Langs de kant van de weg zag hij een oude hut, waarschijnlijk van een goudzoeker geweest.

     

     

     

     

    Hij bekeek de hut, zocht in de auto naar gereedschap en  begon te timmeren tot het tegen de middag weer op een goede schuilplaats leek. Hij legde de lekkernij in de deuropening en de aap volgde gedwee. Dat verbaasde Gene wel. Dat de gorilla nog zo mak was. Hij vermoedde dat er iets gebeurd was met het dier. Dat ze – wie dat ook waren geweest- hem verdoofd hadden.

    In de hut was geen slaapplaats. Met wat jute zakken maakte Gene een plek voor hem en zijn nieuwe vriend. Hij verbeeldde zich dat deze vriendschap hem eindelijk de genegenheid zou geven waar hij al zo lang op had gewacht.

    Hij wist nog steeds niet wat hij moest. Ze zouden hem arresteren vanwege het molesteren van een agent en het kidnappen van een aap. Was dat strafbaar? En wat wilde hij eigenlijk in zijn leven? Die vraag kwam bij hem boven. Nu hij hier zo alleen was met zijn vriend, begon hij daar aan te denken.

    Lees meer >> | 50 keer bekeken

  • Tante Sjaan en ome Han (met dank aan premier Rutte)

    20 augustus 2020

     

    In zijn toespraak van maandag 18 augustus sprak premier Rutte over tante Sjaan en ome Han. Wie bedoelde hij daarmee?

     

    Sjaan en Han. Die kennen elkaar helemaal niet. En ze zijn oud, heel oud. Sjaan woont in een oude volkswijk, waar allang gerenoveerd had moeten worden. Haar huis met Willem, haar man, is twee keer zo oud als zij bij elkaar, en er is nooit veel aan gedaan. Het dak lekt en er zitten scheuren in de muur. De voordeur moet je voorzichtig dicht doen. Sjaan heeft er niet veel moeite mee. Ze heeft haar hele leven in de ouderenzorg gewerkt en vier kinderen opgevoed.

    Alleen Willem gaat de laatste tijd niet goed. Hij beweegt zich in een rolstoel en hij gaat iedere dag achteruit. Hij roept voortdurend dat het niet lang meer kan duren. Willem heeft zijn laatste werkzame jaren op de taxi doorgebracht tot het niet meer ging, nadat een klant een pijltje uit een blaaspijp in zijn oog had geschoten. Een wonderlijk ongeluk en hij wilde daar niet over praten.

    En dan Han. Een klein, dikkig mannetje met een krans van haar op zijn schedel. Ook hij woont in een volkswijk, maar dan in een andere stad. Een hele grote stad vol intellectuelen, kunstenaars en grachten. Timmermannen en loodgieters zijn er niet welkom, behalve dan om de leidingen van je penthouse te repareren.

    Han zag ook dat zijn volkswijk in de loop van de jaren veranderde. De bevolking bleef arm, maar kwam uit landen vol knoflook en minaretten. Hij vond het prima, Han was een man die zich altijd aanpaste en zijn opa van moeders kant was van Turkse komaf.

    Han werkte zijn leven lang op de tram van de vervoerder van de grote stad vol intellectuelen, kunstenaars en grachten. Maar dat intellect en die kunst, dat werd steeds minder op de rails. Die gingen liever met de bakfiets. Daarom zag hij vanaf zijn bestuurdersplaats dezelfde lui als in zijn prachtwijk. En voor de wielen vaak ook teveel toeristen.

    Maar om terug te komen op Sjaan en Han. Ze kenden elkaar niet goed, maar een heel klein beetje uit hun jeugd. Zij hadden een scharrel. Verder kwam er niks van. Toch was Han haar niet vergeten. Soms meende hij haar vanaf zijn bestuurderstoel in de massa te zien. Han was niet meer getrouwd. Zijn vrouw Truus had hem bedrogen met de behaarde overbuurman. Toen Han erachter kwam, heeft hij die Joop, een schop tussen zijn benen gegeven en toen kwam er een rechtszaak, want Joop beweerde dat Han hem met die rotschop onvruchtbaar had gemaakt. Joop verloor die zaak.

    Bij zijn kapper Leonard hoorde Han onlangs dat een klant van Leo een kennis had die Sjaan van de bingo kende. Zo verkreeg hij haar telefoonnummer. Na diep zuchten belde hij haar en ze leek totaal niet te weten wie hij was. Maar hij mocht langskomen hoor. Geen probleem.

    En zo trof hij haar 50 jaar later, samen met haar halfblinde man Willem. Hij vertelde dat iemand hem had gezegd dat ze dood was, maar hij had dat nooit geloofd. Sjaan kon toch niet zomaar doodgaan?

    Sjaan zag er goed uit, vond Han. Ze droeg een beige trui met daarop een medaillon boven een geplooide zalmroze rok. Haar haar was donkerblond en was nog net zo lang als toen. Twee grote ronde oorbellen bungelden in haar oren.

    Haar handen waren zacht en rond en ze schilde een appeltje voor Willem. Sjaan had haar hele leven goed voor hem gezorgd. De televisie stond zacht aan. De premier sprak over Sjaan en Han. ‘Hij heeft het over jullie,’ lachte Willem. ‘Maar jullie mogen niet knuffelen!’ Ze lachten nu alle drie. In Han begon een klein vuurtje te branden. De vele relaties en vriendinnen die hij bemind had, konden niet op tegen Sjaan. Hij hield zijn hoofd schuin en keek voorzichtig naar haar, terwijl ze de appel jaste. Je ogen zijn van blauwe parelmoer, Sjaan, dacht hij. Je lippen als het rood van rijpe kersen. Je neus een beeldhouwwerk dat ze tegenwoordig niet meer zo maken. Toen ze met haar hand haar haar achter haar oor streek, net als vroeger, voelde hij een diepe brand in zijn borstkas uitslaan. Hij begon heftig te zweten en ze zag het.

    ‘Gaat het goed, Hans?’ vroeg ze. ‘Wil je nog een kopje koffie?’ ‘Ja hoor, het gaat prima,’ knikte hij. Hij begreep niet waarom hij het nooit had durven zeggen. Ook nu niet. Waarom zou hij niet opspringen en het hard door de kamer toeteren?

    ‘Het is warm,’ zei Willem.

    ‘Ik kan me jou niet zo goed herinneren Hans,’ zei Sjaan.  Ze vouwde haar handen op haar schoot. ‘Ik ben als kind weleens verliefd geweest op een kleine, beetje dikke jongen, misschien was jij dat.’

    ‘Verliefd geweest?’ reageerde Willem verbaasd. Hij kon zich niet voorstellen dat er een leven voor hem was geweest. Ze had er nooit over gesproken. ‘Op die augurk naast me?’

    ‘Ja, heel verliefd,’ zei ze. ‘Elke nacht droomde ik van hem. Maar misschien was het iemand anders, ik weet het niet.’

    ‘Hoor je dat Henk?’ riep Willem. ‘Ze was verliefd op je. Mooie boel.’   

    ‘Ach, als kind,’ zei Sjaan, maar ze had plotseling een liefdevolle,

    zachte glimlach om haar lippen. ‘Het is zo mooi, zo oprecht om als

    kind verliefd te zijn. Zo puur wordt het nooit meer.’

    Een melancholieke sfeer vulde de kamer. De lapjeskat rekte zich uit en voor de deur, zichtbaar vanuit het linkerraam, werd door twee

    jongens gevochten. Han zag dat de ene jongeman een groot mes liet zien. Als hij kon, zou hij met Sjaan vertrekken naar een beter deel van de stad. Hij bezat nog wat spaargeld. Maar wilde zij iets, zag zij iets in hem?

    Willem rolde met zijn stoel naar een kastje en pakte er papier uit. ‘Ik heb een idee Sjaan,’ zei hij. ‘We regelen het nu effe.’

    ‘Wat?’ vroeg ze, want ze zat nog met haar gedachten in een teder, roze gekleurd dromenland. Ze liep met Han lang geleden langs de havenkade. Ze waren heel jong en heel verlegen. Ze zagen de zon rood aan de horizon verdwijnen. Het was een prachtige zomeravond. Een opstapper van de loodsboot zwaaide naar hen, terwijl ze voorbij voeren op weg naar het volgende schip.

    Lees meer >> | 37 keer bekeken

  • Meer blogs >>